De vogels hebben het gezegd, de wind, ze leest me, geeft nooit op.
Ik hoor het, in het verkeer, van de buren, tussen gesprekken van wijze uilen.
Ik ben vrij,
met tegenlicht, grassprieten, en een kabbelend bootje.
ik ben vrij,
vrij om met jouw benen te vrijen. Wanneer de wereld trager wordt,
ik de zon hoor verzuipen, de maan hoor verdwalen, ik hoor, hoor, hoor,
maar zeg niks, niks, niks, niks!
Ik ben vrij.
(Vrij, vrij, vrij!)
met tegenlicht, grassprieten, en een kabbelend bootje.

Reageer