Resultaten voor het trefwoord mond

over poëzie gesproken – hans goudart

Bin Ali Libi zat er helemaal naast
Tante Truus bleek
een deerniswekkende teef
ziekelijk zelfzuchtig
panisch veertig plus
zonder vergunning op jacht
in mijn buurtcafé
Tante Pollewop de beul van
kamp lagerbier
De Engel van de Efteling bleef
ongestraft onbeschoft
het zogenaamd beschaafd fatsoen
rondborstig maar platvloers
het leven als schijnvertoning krampachtig
haar marionettentheater van misbruikte medemensen
eenrichtingsverkeer in ieder opzicht
De Hoer van Barneveld
proud to be a slut
het woord niet waard
te zwak voor complimentjes
lam, doof, blind voor kritiek
een soort gestoord

Telkens ik ze zie een etage in de war
verkeerde verdieping uitgestapt
ik heb niets te zoeken op de
afdeling valse vruchten, zeldzame mutsen
tactloze taarten, betweterige burgertrutten
huichelachtige schijtlaarzen,nagels aan mijn kist
tot dader verworden slachtoffers

Het verzameld werk
van slordige aannames en voorbarige conclusies
goedkope theorietjes, halfbakken verklaringen
oppervlakkige projecties en het hele
zo-zie-ik-het, zo-zit-het-dus
en dat-is-dat en daarmee basta
het meermaals meten met twee maten
ik mag wat niemand anders mag
ik trek het niet, ik kan er niet meer tegen
hierbij wordt u de mond gesnoerd
De Freule van Spreekverbod tot Zwijgplicht
heeft gesproken in stuitende monologen
zonder weerwoord gebundeld als “Arschficken für Anfänger”

tame impala – mattijs deraedt

De gouden echo door de grot
De oranje grot en hemelsblauwe lagune

De hoge dronken stem trilt nog na
Geen knijper te bespeuren op deze banden
Een stem als rook, grappige rook

Als een moderne sjamaan staat hij
Onder dit bijbels gewelf
De atmosfeer omarmt hem, geeft hem ruimte

Zijn lange gewaad mondt uit in tongen
Gulzige pythons die zwaar worden van het blauw
Tussen zijn haren weeft zich een band
Een regenboog, een vloeibare pijl

Ronde tanden in een kleine mond
Een zoemende wolk
Grote ogen, zacht gelaat, kleine kin

De gitaar rond zijn hals lost langzaam op
Zweeft weg

levensweg – eelke van es

Vroeger, heel vroeger, wilde ik vuilnisman worden. Of eigenlijk vuilniswagen, met een grote malende mond die alles wat de mensen er maar ingooiden – vuilnis, teevees, schijnbewegingen, kleine huisdieren – in enkele bewegingen verslond. Dat was vroeger. Vuilnis is er sindsdien altijd geweest. Maar het verlangen een vuilniswagen te zijn verdween al snel. Ik werd liever dierenarts, of voetballer; rotzooi en blessures zo veel mogelijk vermijdend. Ook voor deze beroepen bleek ik, om onjuiste redenen, ongeschikt.

van boven gezien – kate schlingemann

ze schreef zich lachend naast je
in zwart of allebei

ze grinnikte een rode streep
een vuist wat bleek
was jij

je mond getekend op beton zo
hard zo onaanraakbaar hoog

ze moest wel blijven tot de muur
en alles was
gesloopt

voor pablo – maaike klaster

1.
 
Omdat ik trek in fruit heb, eet ik een ijsje.
Zoals ik toen ik vijftien was voor het eerst met iemand lag te zoenen
onder een lange, leren gestapojas,
dat laatste was een grap,
maar wij weten wat wij ermee bedoelen.
 
 
2.
 
Buiten vinden we nog geen vlinders,
daarom zing ik er één voor jou, heel vals,
midden in de nacht, en jij lacht heel hard,
maakt straks nog iemand wakker.
Mij kan het in ieder geval niets schelen:
ik weet dat ik hierna weer heel lang moet wachten.
 
 
3.
 
Zoenen heeft niets te betekenen, zeggen ze.
Daarom mag je blijkbaar zomaar je tong in andermans
mond steken zonder veroordeeld te worden, laten prostituees
zich betalen voor seks zonder mond op mond contact.
Dit was beter dan wat wie dan ook ooit over seks heeft gezegd.
Ik weet tenminste zeker dat één van ons nooit beter heeft gehad.

de bank – stien van der wal

er moet hier toch een bank staan,
ik herinner me hoe hij bestond
uit mens en gewoonte,
uit zoekende voeten
tegen een verlopen onderkant,
hoe voorbijzitters herkend werden aan
kuil en kruimel, soms vervloekt
vanwege hun morsige mond.

er moet hier een bank staan,
ik hoor hoe hij zuchtte,
toekomstige zinnen verstomde
door dringende geluidsgolven
uit iedere torn te persen,
zwijgen achteloos liet mee deinen.

er moet een bank staan,
ik weet hoe hij voelde,
z’n stoffige scheur
met hand doorwoelde.

er moet bank staan,
ik denk hoe.

verhalen van derde etage – maaike klaster

1.

De geur van pizza in de vooravond,
God die naar me lacht.
Hoe kan ik al die mensen bedanken
die mijn hart in dat van hen bewaarden
toen het de stank van Satan was
die door de deur van mijn oven kroop?
Ik houd ze in mijn eigen hart en
wieg ze als een pasgeboren baby,
denk aan borsten vol met goede moedermelk
als ik de gesmolten mozzarella eet,
leef nog steeds.
 
 
2.

Ook al is dit een leren bank
in een kamer van een woning
op de derde etage, en heb ik
aarde onder mijn nagels,
ik zou zweren dat hier een zee
zat, dat al het zoute water dat
ik ooit zag, de Middellandse zee
vanaf de achterbank, in golven
over mijn lippen zou stromen
als ik mijn mond nu open deed.
Daarom schrijf ik het.
 
 

3.

CONCHITA

Misschien ben ik een schelp
en zing ik zachte liedjes voor jou
die alleen jij kunt horen
wanneer jij mij tegen jouw oor aanhoudt.
Luister maar. Daar ga ik al.

over tuinieren – stijntje van der wal

stamp paal en perk vandaag
in zuigende zwarte grond,
stoot diep door gewortelde laag
tot waar bronwater mond.
omspit dit verdorde land
met beukende klauw,
terug naar het vochtige zand
daar het bevrediging wou

ach, woekerend en herrezen
wordt zo menig gewas
in zonde verwezen

fumé – ploos

ik zet een bierglas over je heen en
schuif een foto van mijn moeder
altijd voorhanden
onder je kont

je vader woonde hier binnen
je moeder was ’t liefste in de tuin
en andersom
het hadden kruisspinnen kunnen zijn

maar jij bent er
nast schuim en elzas
vanaf de wand
nog even en je eet de suiker
net niet
uit mijn mond

loze zinnen – stijntje van der wal

nergens zag de leegte
zo zonder moed
een koud kind
kom toch hier
verschijn uit dit papier
om met jouw oog en
met jouw kleine mond
te proeven hetgeen hier
toch ooit werkelijk bestond
herrijs uit inktenblauw
arm, zalig kindergezichtje van jou
nergens zag ik leger dan leeg
en nog meer leger
‘k zag geen mens.