Resultaten voor het trefwoord wit

ik die zich razend zoemt – harry m.p. van de vijfeijke

Ik heb een smaak van jaren opgemaakt.
Met velen deel ik aangedaanheid door het klein
voorjaarsverhaal, vandaag de minieme kroontjestulp die fier
in voorjaarswind en zongebed zich als saffraan zo fijn onthult
en voor het almaar opnieuw beginnen staat.

We zoenen, en we zoenen het seizoen.
Ik, afzonderlijk gewonden om een dunne lijn,
al jaren, ik zal in dit voorjaar ook een smaak belijden
die jou, mijn zonderlief, aangaat, hoogsteigen schepsel.

Ik verbeeld je bloei in wit opgesneden bloemblad neergelegd,
je zachte bed dat wijkt, ik de bij die zich razend zoemt,
dol tussen dij en dij.

qua wolken in hogere sferen – iniduo

het zijn sluiers die het ledige verhullen
antipoden van aards gewicht
tevens niemands bezit
longen, die hun rusteloos zwijgen met adem vullen
knoestig, sierlijk licht
loodgrijs, smetteloos wit

kwelgeesten van ruimte en tijd
eensgezind waarheen ze ook gaan
zij laten ginds licht gloren
ontsnappen aan eeuwigheid
zijn uit leegte geboren
of houden gewoon op met bestaan

zwijgend gedicht – pallas van huizen

Deze nacht is een zwijgend gedicht,
dat eerlijk spreekt, samen in gedachte
als een traag lichaam dat vrijt, dat zweet
in een levende geest
in een droom
die leeft
alles lijkt wit
maar waar wit is, waar wit is
is rood
als het bloed dat kruipt
dat kleeft
afhankelijk van het maanlicht
het beest dat overleeft
Deze nacht is een zwijgend gedicht,
als de waterdieren diep onder water grommen
deze nacht is een zwijgend gedicht
Uitspreken maakt alles erger.

van mij – adriana kingma

Met mijn ogen dicht
en mijn vingers in mijn oren
loop ik de drukke weg op.

Als ik ongedeerd de hoek omsla
staan er honderd bloemen
hard te roepen in de tuin.

Niemand weet dat ze daar groeien
omdat er in de grond
wel vier konijnen liggen.

Daar bij dat huis
waar nu vreemden wonen.

De vloeren zijn er aangestampt
met mijn eerste stappen

En boven ruik je mijn dromen nog.
Ook al hebben ze alles wit geverfd.

fuck de leus – janus duprie

1

wit voor ogen
heb ik niet

noch zwart

groen

rood

of oranje
 
 
2

kleurenblind
beschouw ik mezelf
in donker
 
 
3

doof voor kritiek
dan wel andere onzin

nou vooruit
kan mij het schelen
 
 
4

vluchtbrief laat ik
mooi achterwegen
 
 
– pleur maar op met je censuur –
 
 
5

wie me kent
zou zeggen vast
een grap

van het kaliber
hollywood
 
 
6

het gaat om
onderbuikgevoel

hades – karlheinz myskin

Als een zwerver bij het laatste avondmaal
Een vogel bij een runderlijk,
Speelt de clown met zijn onsterfelijkheid.

Mijn leven is als de anus
van een vredesduif:
Spierwit en naakt,
Als een tere kinderziel.

Ik ben als een zwarte
met een wit hart,
Ik bouw ongestoord vlotten,
maar kom nooit aan de overkant.

contro-vers – maaike klaster

Controversieel ben ik niet, of juist wel?
Ik weet inmiddels niet meer wat dat woord betekent.
Mijn broeders in de strijd leerden mij de lessen die ik nodig had:
dat zwart en wit hetzelfde zijn, dat zij tezamen regenbogen maken,
dat wij overal thuis zijn, dat leven luisteren en dan in vertrouwen
handelen is, dat ik altijd al deed wat ik nu doe: dit bolletje dat wij Aarde
noemen in mijn armen nemen en ons allemaal in slaap wiegen, liedjes zingen
die mijn kleine broertje voor mij schreef, die hij zelf nog steeds melodisch
schreeuwt. On Stage. Want daar gebeurt het, daar spelen wij met God, Allah,
de Vader, Moeder, of hoe je Het ook wilt noemen, en dat mag je iedere dag
doen. Om die liefdevolle leider nog eens aan te halen: “Life’s work, lady!” –
en dit is wat ik zeker weet: ik werk hard, ik speel harder.

met ingehouden adem – jos van daanen

In dit gedicht ga ik geluidloos verdwijnen,
allereerst zak ik tot mijn kin weg tussen de regels
om dan kopje onder te gaan in het diepere wit.

Als ik eenmaal onder ben, kijk ik weer omhoog
om te zien hoe het balletje van jouw pen
blauwe golfjes trekt over mijn verbaasde blik.

Ik lees in spiegelschrift mee en begrijp je niet,
volg je hand tot aan het puntje van je zin
en drijf al klauwend weg naar open ruimte.

verhalen van de aarde – maaike klaster

De maan door een vergrootglas boven een stad zien hangen.
Zij verlangt naar haar straten, geeft zich aan de menigte over.
Hier is niemand die haar ziet zoals wij haar zien. Hier is zij wit
en verveelt zij zich nooit, vervelt zij alleen, ademt zij haar
eigen stof weer in. Hier gooit zij hoge ogen, kijken zij naar haar
volle gezicht op, wassen zij zich in haar licht, wassen zij haar
haren. Hier hoeft zij nooit meer dood te gaan. Hier ben ik niet,
maar ik kan zien waar zij is geweest, herken de weg die zij wil
gaan, hoe zij de maan gedag zwaait en zich in het neonlicht
begeeft, de nacht kust met haar gulle lach, hoe alles wat
bevreemdt al heel lang bekend terrein geworden is, hoe de stad
terugpraat met iedere straattegel, met iedere hoer op iedere stoep,
en op iedere hoek een nieuwe kans om een andere weg in te slaan,
dealers die naar specerijen ruiken die je thuis alleen uit keukens
kende, luchtige overhemden, een zonnehoed – ook na
zonsondergang, en het klikken van je hakken, de zolen van de
sandalen aan je half ontblote voeten, een deur die voor je opengaat.

Zo ben je altijd onderweg, veeg je al die oude tranen weg, maar
niet echt, veeg je de vloer aan met je vader die jouw taal nooit
heeft gesproken, geef jij jezelf een nieuwe moeder kado die van
iedereen nog het meeste op de jouwe lijkt, vind je een geheime
tuin om steeds in terug te komen, andermans thuis om in te wonen.

promovendus – maaike klaster

Met een paal in je broek ten onder gaan,
knock-out geslagen worden. Dat is de kracht
van een vrouw die niet bang voor seks is, niet
vies is van haar eigen lijf, en jij maar doen of
je mij niet ziet, maar toch stiekem naar mij
kijken. Kijk naar je eigen wijf!!!!

De smerigheid waar jij mij mee achterliet,
alsof je met een hoop stront onder je schoenen
mijn huis binnenliep om mij vervolgens te
vertellen dat mijn huis voor jou niet schoon
genoeg was en ik als vrouw, als mens, niet
deugde, heb ik grotendeels weggewassen, met
water, zeep, geschreeuw en tranen. Dat was het
wel zo’n beetje. Nu ervaar ik voor het eerst in
maanden mijn oorspronkelijke vreugde weer.
Goddank, en jij ook bedankt, Meester in de
Drogredenen. Over die retoriek van jou – eerst
zeggen: “ Zullen we koffie drinken?” en dan
roepen: “Ik ga jou helemaal niet bellen, want ik
heb al een relatie!” – kan ik een dissertatie
schrijven waar ik als Novice in de
Argumentatieleer direct op promoveer. Liegen
doe ik niet. Ik heb het, net als jij, allemaal zwart
op wit.

Mij aan het huilen maken en mij dan, terwijl je
de deur in mijn gezicht dichtsmijt, verwijten
dat ik mij als een slachtoffer gedraag; dat mijn
energie “niet zuiver” is, daar kan zelfs de grootste
Professor in de Neerlandistiek niets mee.
Daarvoor moeten wij overschakelen op
Geschiedenis en Politicologie – als die studie nog
bestaat – want zo’n uit haat geboren filosofie,
daar zijn Hitler en Mussolini groot mee geworden.
Om nog maar te zwijgen over het feit dat jij de
zaken – voor de zesde keer – om wist te draaien en
beweerde dat ik om iets heel anders huilde dan ik
deed. Hoe kom je daar toch bij, en hoe haal je het
in je hoofd om mij telkens terug te duwen in de
handen van mijn vroegere verkrachters om dan te
zeggen: “Ophouden met huilen, kreng!” ?
Wat ben je dan voor een mens? Hoeveel
verkrachtingen heb jij meegemaakt toen jij klein
was, en zeg je dit soort dingen in gedachten ook
tegen de kinderen die te grazen zijn genomen door
Robert M.?

Er is maar één logische conclusie die ik uit dit
treurige en totaal onnodige verhaal kan trekken:
in tegenstelling tot wat jij zelf beweerde, ben jij
niets gewend.