Resultaten voor het trefwoord tanden

tanden stoker. magnaat – elize augustinus

Een uitdagende melodie galmt door de straat
De één krijgt de vis en de ander de graat
Een beetje ver gezocht nietwaar?
Terwijl ik verder loop
Denk ik aan de buurman van vroeger
Hij speelde graag met graten
Verorberde vis en graat
Tegenwoordig is hij tanden Stoker. magnaat.

haven – marc robbemond

In de haven draag je een jas voor
in de haven, in de binnenzak
de vleugels van een roofvogel,
de tanden van een wolf

een batterij voor je horloge
koop je in de kiosk van de haven
met een nieuwe krant ’s ochtends vroeg
je wijst naar de zee dat is een container dat is een hijskraan
dat is je vader nee dat is een schip nee dat is je vader.

echo – jos van daanen

Ze boert zonder tanden,
een dode in beweging

ze ruikt naar woorden
als haar schuld is uitgelekt

en sporen achterlaat
op het schrille perkament

van de herinnering
aan haar gedachten,

neemt en eet haar ziel
en zoekt in stille kastjes

naar kruimels die bevestigen
dat ze nog een leven heeft,

geen mens verlost haar
geen god, noch beest

en de tijd, ach, de tijd
is ook al tijden
niet meer langs geweest.

uitzinnig – jacques santegu

vrouwen slaan wodka
na wodka uit huisjes
van tuinslakken
achterover

als heksen dansen ze
met de rokken tussen
hun tanden
steeds dichter om
de vuurhaard heen

lossen vreugdeschoten
terwijl hun slipjes
branden
met de vijand mee

straat-bbq – bob elias

Zondige gedachten ontrafelen truttige
truitjes tot spannende spaghetti
de buurvrouw toont haar tattoos
puur uit verlatingsangst

Senioren happen appels
zonder handen
uit een ton vol water
wie heeft zijn eigen tanden nog

Forse negerinnen
met ogen als wielklemmen
sjouwen halve varkens
de koelcel uit

Voorbodes van een straat-BBQ
hangen dreigend in de lucht
onze hond kauwt voodoo dolls
tot fijngemalen poppenstront

Aandacht waaiert uit
als ogen op een pauwenstaart
maakt heel helder dat dit huis
of heelal ons nooit kan bergen

banjo blues – d.docters van leeuwen

de banjo werd op de knie gelegd
in tweeën gebroken
en aan een wilg gehangen

een storm stak op
de takken van de wilg
tikten tegen het vel van de banjo
het ritme van de regen

de slisser sliste en de spleet
tussen z´n tanden
leek wel een meter breed

Belinda stak een sigaret op
belde Irene en zei
ach die bomenpraatgroep
het lijkt me zo’n gedoe

de dagen werden schaars
de banjo bleef te horen
het blauwe gras wuifde
Ieren zongen
en de bergen keken toe

wijd het gebeente, wit de vlier – harry m.p. van de vijfeijke

Ik ken de iconen van mijn kant en klaar geluk,
berijd de regelmaat. Wekker van slag, vers brood,
start van een ongedachte dag.
Kleine beloften van koud bier, een kind, een warme vrouw,
de roep naar hier, ja hier.
Wijd het gebeente, wit de vlier.

Ik pluk de dag, de dag, de dag, en bijt mijn tanden stuk.
De nacht is veelal een hengstendal, de droom gedroomd,
de zucht geslaakt, de merrie hinnikt, het bit ontbloot, doet dit onzacht.

Of ik blijven zal?
In de roes, de regelmaat, de klim omhoog, de val.
In het comfortabel zadel van de dag,
de wijsbegeerte van de nacht.

Ik bereis mijn breingalop, vrij grazen.
Intussen wapperen de manen dat het brein reizen mag.

blauwe oase – elize augustinus

Ze wandelen in dorre woestijn
tussen de steenuil: te midden van
chaos waait een hete wind rondom de puinhopen.

Het gebeente gloeit verzengend.
Een vuurhaard door stoffige vlakte.
Op weg knarst het brood onder
onze tanden. De pelikaan drinkt
uit een blauwe oase.

kroeg – jan holtman

Alweer een glas
dat geheven wordt

alle mannen hebben hier
overhemden die zwarter
en tanden die witter zijn,

ze bewegen zich
als jonge goden en
openen gesprekken
met het grootste gemak

en lachen als ik
wil vluchten
door te trekken
aan een deur
waar duwen opstaat.