Resultaten voor het trefwoord kamers

het ritme van leven na de dood – hanny van alphen

beweging tussen natte muren
Franse lelies, manshoog
wuiven achter sterren
er sijpelt water van de schoor
die de ingezakte schedel moet schragen

drip drip drop
drip drip drop

het ritme van leven na de dood
gaat onverstoorbaar door de kamers
er wordt niets geplooid of glad gestreken
ontbering geeft voedsel
aan alles wat niet is bezweken

griffen – enrico lommerte

geborgen over mijn schrift
schreef ik hartswoorden
maar zij verschenen
niet op papier

bij jou
aan de andere kant
van het heelal
werden zij
in de open kamers
van je boezem gegrift

ik denk ze nog steeds
voel hen
doorheen tijd en ruimte
betast ik ze met mijn vingers

in beton – wim de roo

Thuisgekomen in beton,
doodmoe, geen hond om tegenaan te janken,

in verstilde kamers enkel holle frasen:
bonken van metaal, via buizen half om half
verstaanbare kreten

van een eenzaam mens

omgeven door alleengaanden

lege kamers – kid-lee vermaase

Brekend, golven van koele lucht,
Op het huis stuk met een zucht.
Ik zit in een kamer, geheel alleen.
Ginder hoor ik jou. Waarheen
Ga je, blootsvoets, met stille stappen?
Je masker hangt nog ergens langs de trappen,
Boven sporten, steile treden hoog;
Naast deuren tussen vage verlichting,
Verstopt in schemering; de kentering
In je schreden, aan de gene zijde,
Weg van mij, de kamer die ik benijde
In.

Hemelnat spat tegen geruite ramen
Van een ruimte waar we tezamen
Wijnen ontkurkten, op ’t tapijt neerhurkten
En vlammen voelden in lijf en leden.
Ik staar, doe stappen, kijk langs de treden:
Hoor ik jou daar? Zit je wat te doen?
Ik hoor je denken, volg je terug naar toen;
Langs de sporten en glad gelakt hout,
Zie ik even je gezicht, mij zo vertrouwd.
Sloffend schuif ik terug een kamer in,
Verlangend te verklaren dat ik je bemin.
En als kaarsen doven, hemel blijft luisteren,
Dan zal ik je morgen weer mijn hart toefluisteren.

uren op etages – ploos

de droogte sluipt terwijl ze slaapt haar huid in
en haar lijf uit als ze opstaat
laat haar vel vroeger verder los
van haar gebeente – wee denkt ze even vluchtig als ze is

want de lampetkannen de kommen
erom vertonen barstennet
onder het glazuur
jezus marante zucht ze
de schappen denkt ze
vol weckflessen in het keldergeschot
en de appelen alvast op zolder
ze ziet me in haar vaart

te laat – ik neig in vaag gebaar
naar eigen wang
tot ander kroost bij mij komt hangen
in de zolderringen

die mutter schikt de schaars en wit geworden haren met
een etensvork bol in ’t rond en plet
de boel dan onder voilages
er was voor haar geen enkel vurig uur van troost denk ik

de spiegels in haar kamers
die zich verdringen om alle hoeken elk uur te laten zien
wij houden haar niet binnen – ze gaat uit
om de rug te keren en het weer in het behang

 


Toelichting: “Het volkomene”, Herman Pieter de Boer, zijn vertaling van “Zügenglöcklein”, Schubert

uitzicht II – frido welker

rijen auto’s de verbeelding van dagenlang willen,

gordijnen voor kamers dichtgetrokken, niet dat
er geslapen kan worden maar er moet wel
terugbetaald worden straks,

een prachtig veld met prachtig groen gras en
lauwe bomen met zachte schaduwen om je handen
in te laten liggen
daar kan het maar is het leeg alle weken lang,

het ongeluk samengevat van de maatschappij

blubmaatschappij – gronama

In den beginne moesten wij
wennen aan al die lossigheid hier.

Geschubde straten met staarten
en vinnen waarbinnen wij leven.

Huizen staan telkens maar even
want alles raakt steeds aan de zwier.

Ons bankstel golft door de kamers
naast zwemmende kastjes van wier.

Wij mensen en vissen dineren
met deegbol aan haakjes en bier.