Resultaten voor het trefwoord harry m.p. van de vijfeijke

ik die zich razend zoemt – harry m.p. van de vijfeijke

Ik heb een smaak van jaren opgemaakt.
Met velen deel ik aangedaanheid door het klein
voorjaarsverhaal, vandaag de minieme kroontjestulp die fier
in voorjaarswind en zongebed zich als saffraan zo fijn onthult
en voor het almaar opnieuw beginnen staat.

We zoenen, en we zoenen het seizoen.
Ik, afzonderlijk gewonden om een dunne lijn,
al jaren, ik zal in dit voorjaar ook een smaak belijden
die jou, mijn zonderlief, aangaat, hoogsteigen schepsel.

Ik verbeeld je bloei in wit opgesneden bloemblad neergelegd,
je zachte bed dat wijkt, ik de bij die zich razend zoemt,
dol tussen dij en dij.

ochtend in berlijn – harry m.p. van de vijfeijke

De dag die als de stad opnieuw begint
heet Himmelfahrt.

Ik trap naar na-oorlogs goed gebruik
de dauw en dekens van mij af en wacht.

Op een verlaten en te vroeg terras.
Alleen, goddank en hemelzacht
heb ik freies Berlin gezien

en mijn bedaagdheid
fris omhoog gedacht.

vergeef mij, hoge niet bestaande entiteit – harry m.p. van de vijfeijke

Vergeef mij, hoge niet bestaande entiteit dat ik
een leven aan het winnen van de waan
van niet bestaande liefde wijd.

Een dag wordt getekend door de regels
en de afgeleide tekst zonder het vermoeden
van het ene allerlaatst gedicht
zal ik loos en ongekend onder een bemoste steen
ongeletterd als de rest eens worden bijgezet?

Wat drijft mij, hoog en niet bestaand gegeven, zeg het mij?
Is het de ooit te gulle moeder die mij erkende, zag,
en zacht in de verwende watten deed?

Is het de vader de mijn kleine botten staalde
en mij een windrichting indreef?

Is het de standaard van het eerste aangrijpen van een sterk verhaal
of de hang naar het sluimerend Platoonse areaal?
Wie sprak daar toch van aangepraat?

Ach, wellicht wil ik mij alleen maar laten horen,
in een nageboortig krijsen, nog altijd komend op verhaal.

Terwijl ik naar boven kijk en naar beneden hijg
waar gij almaar niet bestaand bent
en allerminst als entiteit verblijft.

Kruipend kras ik mijn dagelijkse regels in het slijk.

pinksteren – harry m.p. van de vijfeijke

Het zou toch pinksteren vandaag, een zon zou
in haar hoogste schitter zijn, de dauw zou
in de vroegte glinsteren nietwaar?

De tongen zouden polyglott en vurig zijn,
de geest zou waaien.

Wat flakkerde zou hoop en zouden
aangeblazen woorden zijn, voor de pinkstertijd te schaars.

Maar wat is de facto het verhaal?
Het pinkstert niet, het is grijs en kleumenskoud
en het waait en regent maar.

De tongen hangen slap, de geest is verwaaid, de hoop halfstok,
verregend, gelijk een natte vaan.

O taal, blaas mij toch aan.

ochtendgebed – harry m.p. van de vijfeijke

Heidens is het, grif geef ik het toe,
mijn ochtendgebed.
Te duister mijn begin.
Traag uit de sluimer zoek ik
de verzoening met jouw kruis, beeld
mij vormen van aanbidding in.

Mijn hand, het eelt nog zacht
van een gladgebeden rozenkrans,
streelt elke dagbegin profaan
mijn blij en droevige geheim.

Een dag richt zich op,
ik zal prevelend aanwezig zijn.
Dit is mijn lichaam,
waar ben jij?

hoe verzin ik haar? – harry m.p. van de vijfeijke

Het weeldebeeld van een vrouw,
Russin vandaag. Beeld eenmaal gegeven
bewerkt dat ik een dag met haar verkeer.

Ik voorzie haar van de juiste lingerie,
zet alle klokken stil als wij ontbijten.

Ik noem haar Helena, Belofte, Matroesjka Kus
en ook Zacht Soepel Breedbeeld.

Mijn handen spelen, ik heb de durf
haar ogen in te zien. Hoe verzin ik haar,
want zij is een wonder zoals zij terugkijkt
en met Helenahanden naar mij reikt.

de russische aarde – harry m.p. van de vijfeijke

Wat zou ik van haar kunnen houden,
al mijn aandacht inzetten. Och arme. Haar wijze
en lijdende mond, haar waardige kont,
haar geste is rond als de Russische aarde.

Ik zou van haar glijden na het bestijgen,
zacht en met gave. Ik zou de dagen besteden
met thee voor haar schenken en zomaar wat
kijken naar haar.

Mij afzonderen even, laat in de middag,
voor een gedicht.

rubens – harry m.p. van de vijfeijke

Ik ontluik bij de zwier en het vlezend plezier,
daar zweven de lijven van Rubens.
Ik, heremiet en verlangend, hang hier.
Kom langzaam los van de grond,
mijn vingers belust op het raken
van mijn lief in haar luik in den hoge
en haar subliem door de meester
geschilderde kont.

In haar drieluik vannacht,
zo had ik extatisch bedacht,
heb ik haar diagonaal
naar haar hemel gebracht.

rotterdam – harry m.p. van de vijfeijke

Geloodst werd hier en uitgevaren,
weergaloos en wereldwijd.
Zo ademt alles hier ook nog vandaag
hutkoffertijd.

Er is een strakke Maas.
Nachtdichters staan met jazzy sounds
op kaalgeslagen kades hun – gat in Zadkineziel –
gehavende relaas.

Er is de hoogte, hemellijn, en indien ergens
dan zal hier de hemel de limiet van
al het te verwachten en al het voorbijgaande zijn.

Er is het zachte verenbed van Hotel de Oversteek,
er is het licht en de rivier en dit Rotterdams design
wieg jij, een boei in bloei.

Ik rijs op, verlevendig de beslagen tijd
als ik een cruise vaar in de avondval,
op stoom, mijn reddingssloep weer jij.

Wij dampen uit de te benepen tijd.
Nog dagen hangt een lichte wolk, een witte kleinigheid
boven Zadkines gat en zijn verwoeste stad.

Wij hebben ons in Rotterdam bevrijd.

amsterdam in december – harry m.p. van de vijfeijke

Hoe kaler en ontkleder de grachten,
hoe zwarter de takkenvitrages, des te voller
ik denk aan je melkwitte kont.

Gasgeel is het licht achter het glas in de gevels.
Alsof Breitner hier gisteren nog was.

Koud is het vuur van de jaren, de altijd flanerende tenen,
stram van het eeuwige striemen de winterse benen.

Maar het bloed is in de lichtschijn al warm aan het lopen.
Er wacht mij een bed, klaar ligt mijn lief om de hoek.

De daad voegt zich vandaag bij het innige woord,
ik loop het met Breitner te hopen.