Resultaten voor het trefwoord harry m.p. van de vijfeijke

onrust om de afstand naar de maan – harry m.p. van de vijfeijke

De dagen gaan en vragen
met de dag het geweten te herweten.

Ik treed in de morgen aan
gereed in de tred van tijd
en rede op te gaan.

Doe en ontmoet, hoog in de strot
de onrust om de afstand naar de maan.

Ik heb jarenlang wat mogelijks gedaan.
Is dat genoeg voor de rechtvaardiging
van een bestaan?

Dag na dag herroept mij de oude waan,
ik weet mij verwijderd, zie mij arm
en moedig staan.

oud met de oudsten – harry m.p. van de vijfeijke

Sinds ik de boomgaard beheerde,
vat ik ook in het hart van de stad,
omgeven door grimmige winters,
post onder een boom.

Laten zich mijn gedachten vertakken,
mijn herinneringen bloesemen,
laat zich hars uit de snijwonden lopen.

En niets deert in het tranen,
slechts de tijdlijn verkeert,
ik ben oud met de oudsten,

verjong met de voorbeeldige boom,
tel als de boer mijn gezegende kloten.

de liederen zijn uitgezegd – harry m.p. van de vijfeijke

De plavuizen zijn al eeuwen
uitgelegd, de pelgrim rest het lopen,
de liederen zijn uitgezegd. Het boek rept
van een voorportaal, het landschap is
de kathedraal. Licht valt alom door het glas,
wij gaan uit het dagelijks lood,
de meidoorns tonen zich als witte bogen.

Geur zweeft om de meibloem heen.
Wind vlaagt langs de rand
van voorjaarsheuvels. Zon zingt
aan de huidzijde, van kruin
tot pelgrimsbeen.

Dan sta jij daar voor de witte sprei en je neigt
naar omarmen. Ik verlaat het pad, zie
de genade van je bronzen kont, hoor je
voorjaarsklokken trillen.

Gebed:
de aankomst van de pelgrim in het gewijde vat.
Zacht de dompeling en het vingerkruis,
het ultieme onderweg, voor even thuis.

melkwegsgewijs – harry m.p. van de vijfeijke

Ik fiets en deed dat al
als kind, de melkweg in.
Het carbon wordt met de jaren
schitterlichter. En ik stuur
almeer dichter.

Ik taal naar de dijkentred,
taal naar verhaal.
Er is onderweg wel overal
een schrijflokaal.
Schenkt u mij een
dubbele metafoor,
met slagrijm graag.

Ik doe de rest van het dichtend werk,
de ogen dicht, de voeten stil.
Dan doet de taal melkwegsgewijs
met de woorden wat hij wil.

mijn leiband was altijd uw taal – harry m.p. van de vijfeijke

Ik haal daden, ongedaan, naar mij,
herhaal hen tot gedaan.
Het reiken, troost en tast ineen,
naar moeder en de strijd om lijken levenslang,
naar vader, het verwoorden tot beslag,
klinkend verband, toon van de taal,
vogels van barstbeelden, het verhaal
brengt ons vollediger en ter omvatting nader.

U klonk mij op het aambeeld
van de tijd, u klopte mij tot gloeien.
Ik kroop met welgesmede tederheid,
kroop door kniehoogtegras, zag om mij heen
zachtzinnigheid mij overbloeien.

Ik snoof op met paard en vaars,
molk mee, zocht flank bij het onschuldvee.
Er was zekering van ketting, vredigheid van zeel.
Mijn leiband was altijd uw taal,
ik dacht mij in uw woorden vast en vrij.

de dag komt aangevaren – harry m.p. van de vijfeijke

De dag komt aangevaren,
keer op keer op keer.
De kribben van de tijd schuren
het buitenwant tot binnenzeer.
Er is een hang want weten
van gedreven.

Op het voordek ben ik plechtig
in de weer, ontroerd zal ik mij
gaan begeven.

De kwast ter hand, het want
schreeuwt om hernieuwde menie.

De dag komt aldoor aangevaren.
Ik open mijn te branden palm,
laat het want afbladdering.
gedicht, bereik, aanvaarding.

Palmblaren, ongelikte,
ongedichte watergaten.

je bouwt er een woordhoek van namen – harry m.p. van de vijfeijke

Je zwalkt langs de weiden, je wandelt,
de paden zijn strak en gebaand.
Je kunt al de randen benoemen, onverkort,
je verzilvert de haver, hergeeft de rogge haar naam.

Je mompelt meermalen je neus
in de meidoorn, de geur van de vlier is het sein
van vertrekken van de opperste spier.

”Laat mij hier”.
Deze oneindige kamer van zingend geruis
gedekt door een dekbed van welige wolken.

Je bouwt er een woordhoek van namen,
met witregels met voegsel, de taal aangesmeerd.

de dag een gat – harry m.p. van de vijfeijke

De dag nadat ik de kloosterrijke streek ontklom,
Trappistennat en moeheid loosde, neerstreek, de dag een gat,
vond ik genade in de lengte van de nacht.

Ik was een monnik, weerde de vrouw,
die niet het stil verlangen in zich zag,
gezicht tijd van gewicht, deed nauwgezet
aan zorg, aan overlevingsplicht.

Ik herstelde naarmate ik-in-monnikskap
mijn zegeningen telde. Ik zag mijn slagen
in het klimmen naar omlaag, koos mijn gebedenstoel
tussen de mussen in de beukenhaag.
Sint Franciscus, maar dan alledaags.

Ik ben op mijn plaats, volstrekte regelmaat.

wijd het gebeente, wit de vlier – harry m.p. van de vijfeijke

Ik ken de iconen van mijn kant en klaar geluk,
berijd de regelmaat. Wekker van slag, vers brood,
start van een ongedachte dag.
Kleine beloften van koud bier, een kind, een warme vrouw,
de roep naar hier, ja hier.
Wijd het gebeente, wit de vlier.

Ik pluk de dag, de dag, de dag, en bijt mijn tanden stuk.
De nacht is veelal een hengstendal, de droom gedroomd,
de zucht geslaakt, de merrie hinnikt, het bit ontbloot, doet dit onzacht.

Of ik blijven zal?
In de roes, de regelmaat, de klim omhoog, de val.
In het comfortabel zadel van de dag,
de wijsbegeerte van de nacht.

Ik bereis mijn breingalop, vrij grazen.
Intussen wapperen de manen dat het brein reizen mag.

dag in de natijd van de stam – harry m.p. van de vijfeijke

Dag in de natijd van de stam, de bidprent dubbel op het stuur.
Vader, moeder, zie de koeien, zie de vlier. Zomer als ooit.
Pedalen slaan in hun ritme braaf de dood voorbij.
Ik laat de bede, rammel aan mijn brein,
verken de kleinste openingen nog en nog
en weet voluit: ik heb u niet vermoord.

We praten in een zucht van uren, gedroogde dennenlucht,
gebrande koffie van de molen. Wij van dezelfde stam,
nestprevelen en halen op naar liefst vermogen.