Resultaten voor het trefwoord deur

de kameleon die niet wilde verkleuren – pallas van huizen

Op het hoekje stond je al te wachten,
met zwarte spiegelogen op je voorhoofd,
de zon scheen gelukkig nog niet naar binnen.

Open deur, neo provo’s, petjes, capuchons,
mobieltjes, scooters, brommers en auto’s,
ik ken jou, jij kent ons.

Amerikaan, drie streepjes voor,
eigen boek, soms is soms.

Als alles, oud en grijs,
praten praten, praten,
de jackpot allang gewonnen,
en me nog blindstaren
op tien vierkante centimeter.

Ik wil platvoeten, bescheiden stappen,
je eigen bedoeling met de krant,
van Thailand tot Texel,
als de korte broek die roept om zomer.

Laat ze maar, laat ze maar, laat ze maar.
Laat ze maar hun gang gaan.

Ik kom en ga gewoon op de fiets.

een week is zomaar weer voorbij – dio the cilany

we houden ons staande
door een hoge graad van onbenulligheid
om ons heen en voortdurend

naast een dosis verschraalde rook
en geur van ranzig frituurvet
wachten we op een deur

of alleen maar haar brievenbus
een open gleuf met enig zicht
op bestaan rondom en enig vuur

het is weekend en voor even
gluren Kant en Schopenhauer van hun plank
verloren zielen naast een glas

naarmate de avond vordert
die kwistig en enigszins giftig was

op een kier – dio the cilany

halfopen deur; een beetje scheef
het vermolmde hout
van vijftig jaar geleden nieuw
en achterstallig onderhoud

de stapel witte stoelen
laatste tand
van een afgeschreven gebit

ik zit
en zie de momenten
ik voel
ze glippen uit mijn hand

glinsterscherf – tibbes punt

Van zicht ontnomen
riep ik naar een hand die zocht.
De wind roept en brengt.
Nu dwaal je hier rond op verloren momenten
houdt op tast de deur open voor water wat niet stroomt
maar een begin klopt in mijn tenen.
Zes jaar diep verdronken op een foto dwing
ik mijzelf nog steeds niets af.
Klamp vast aan twijfel en ik kan wel
koorddansen als mijn hoofd maar eens de grond
zou laten.
Probeer je een vreemde te laten zijn.
Maar
zodra jouw
dwalen
voelbaar is
wil
ik
in
je
armen.
Stukjes zielenspiegel draag ik met mij mee
als doekjes voor op wonden
er heerst hier oorlog weet je
dus blijf
blijf…
al is het maar in een zoekend moment.
Dan geef ik je wat glinsterscherven
die pijlsnel door je bloedbaan schieten.

de dichter, verliefd – ellen vedder

worden doet hij niet meer
Al zijn er huiden genoeg
streeploos wit, de haren verlicht
honing stroomt en koude voeten

zij passeren zijn gebarsten deur
kloppen soms, klingel meneer!
Een zwaar voorhoofd en spikkels
vuur, een tel bloed dat gonst

zijn ademhaling bevroren
O schat, o jonge klaarheid
‘t zachte in haar ogen, vluchten
voor zijn schaduw daar is

ver heen – tibbes punt

Onze wereld eindigt hier
naast de deur van het ontwaken
staan de wachters klaar in rij
zij rooien wat niet groeien kan
in daar en wij waar
het pad marcherend blijft herhalen
en niet rijmen kan en delen te ver
het kind opgooit met
uitgestoken handen
om vast te houden
onderweg.

verhalen van derde etage – maaike klaster

1.

De geur van pizza in de vooravond,
God die naar me lacht.
Hoe kan ik al die mensen bedanken
die mijn hart in dat van hen bewaarden
toen het de stank van Satan was
die door de deur van mijn oven kroop?
Ik houd ze in mijn eigen hart en
wieg ze als een pasgeboren baby,
denk aan borsten vol met goede moedermelk
als ik de gesmolten mozzarella eet,
leef nog steeds.
 
 
2.

Ook al is dit een leren bank
in een kamer van een woning
op de derde etage, en heb ik
aarde onder mijn nagels,
ik zou zweren dat hier een zee
zat, dat al het zoute water dat
ik ooit zag, de Middellandse zee
vanaf de achterbank, in golven
over mijn lippen zou stromen
als ik mijn mond nu open deed.
Daarom schrijf ik het.
 
 

3.

CONCHITA

Misschien ben ik een schelp
en zing ik zachte liedjes voor jou
die alleen jij kunt horen
wanneer jij mij tegen jouw oor aanhoudt.
Luister maar. Daar ga ik al.

* – maaike klaster

Omdat ik als Kwakoe ter wereld kwam,
op een woensdag geboren,
lig ik iedere zomer in de tuin
aandachtig te luisteren
naar wat deze Hollandse zuidwestenwind
in het Sranang te vertellen heeft,

eten we schaafijs in het park,
ben ik in den vreemde thuis
omdat overal dezelfde vogels fluiten.

Er zit een koekoek op de dijk –
iemand heeft mij zijn locatie aangewezen –
die mij met zijn holle echo
een kijkje in zijn nest laat nemen,

mij laat weten dat hij overal thuis is,
dat het tijd is,
dat ik altijd al wakker was,
maar nu mijn eigen eieren moet vinden,

dat ik niet meer naar de koekoek moet zoeken,
dat Kwakoe geweest is,

dat het overal feest is
nu wij de Surinaamse wedstrijdvogels
uit hun kooien bevrijd hebben
en zij overal de klank van Fernandez laten horen,
hun weg terug naar huis hebben gezongen.

En de koekoek tikt nog steeds.

Nee, dat was de specht,
die wil het liefste vechten
met de allerhoogste, holle boom,
zegt dat ik nooit thuis moet blijven dromen,
boort gaten in zijn zelfverkozen woning,

laat mij nog even liggen in de tuin
met de muziek van een andersoortig festival
dat ik nu voor altijd aan mijn ouderlijk huis verbind,
dat mij aan die vroege tropenzomers blijft herinneren.

Iemand doet de deur open
en alle noten, kinderen, vogelveren
waaien weer naar binnen.
De deur slaat dicht.
Nu kan ik beginnen.