Resultaten voor het trefwoord zomer

zomeravond – august tholen

Van volstrekte koude naar een
avond in de zomer. De zon
zwenkt en dooft de ruimten
tussen de gebeurtenissen,

daar waar niemand is,
of ik, maar nauwelijks dan.

Ik hoor het ruisen van sparren
maar geloof ze niet. Leugens-
allemaal leugens. En toch, wat
een fraaie onwaarheid.
 
 
II
 
Dit: het zitten in een tuin op een
zomeravond, en een oorlog
horen komen overruisen
als een zwarte vogel.

Dan het paniekgevoel
beheersend om het gesprek,
deze schijnbare vredigheid
voort te zetten.

klein eiland, lange winter – berry tunderman

Er valt hier niets te doen.
Deze tijd van het jaar.
Wat incest links en rechts.
Onvermijdelijk met goed fatsoen.
Dan hebben we het wel weer gehad.
Hier zo met mekaar.

We praten niet zozeer.
Steunen en kreunen ons door het leven.
O ja, soms gaat er eentje dood.
Ja, zoals we hier dan zeggen:
’t Is god en de duvel om het even.
Niemand mist ooit die boot.

Vorige zomer, reeds vergeten,
nu gerookte bonen bij de vis.
Geen toerist heeft dat ooit gegeten.
Tenminste niet dat die het wist.

Ja, ’t Is altijd even wennen.
Maar het heeft er alles van.
Dat ik hier nog even blijf.
Een beetje man reist zonder plan.

Met vrij zicht
Plus wat geluk.
Op zijn tijd het noorderlicht.

augustus – b. vogels

Zodra je binnenstapt ben ik weer thuis.
Even dacht ik wat te slapen, op jou te wachten
met een nietszeggend boek
of te staren naar de verzameling doodse vogelveren
in de vitrinekast.

Ik blijf verloren lopen
in het niet horen van je sleutelbos.
De stille file stadswolken zit op slot.

De deur die niet opengaat,
het lijkt wel op het sterven van een zwaluw
tussen de tralies van de zomer.

ik dacht – brigje otterloo

Ik dacht dat ik de dagen blond en rond kon
dromen. Dat gewone van een lach dat vrome
van geluk als een Paus die me in Rome alle
hoeken van het Vaticaan liet zien en de adem,

mij ontnomen, inblies met de liefde van God. Ik
dacht gewoon dat het genoeg zou zijn de halve
waarheid uit te laten komen. Een koekoeksei
dat vers gelegd was uitgebroed in deze zomer.

wasdag – kate schlingemann

je kijkt al spannend
hier ligt niets voor de hand
of het klopt al vol verwachting

jij bewaart de afstand
in een doosje dat je met een duim
aan zet, uit knipt

onverstaanbaar wat zij zegt
of wat zij vindt, dat naakte lichaam
achter glas in drie primaire kleuren

het is nog lang geen tijd
het is alleen maar langer licht
zelfs de zomer moet nog gebeuren

nana – tijl nuyts

Je stuurt me brieven
met droge bladeren
van je sinaasappelboom

Ik ruik
het stof, de wind, de zomer
in de enveloppe

Dartelt je hand nog,
je gom en je potlood
vliegen elkaar in de donkere haren

Je land spiegelt
als een roestige munt in het water

Het schorre gefluister van
je sinaasappelboom
vertakt zich voor mijn ogen

Je hangt de zinnen in de withete zon
te drogen
kleurige wasknijpers klemmen
flarden wereld aaneen.

het nieuwe werken – avm

In de zomer het terras
Of in de kou onder een deken
Ontspannen

De kinderen spelen
Op de achtergrond
Draait de eerste was

En blinkt
mijn telefoon
En blinkt
mijn Blackberry
En blinkt
Rechtsonder in mijn scherm
En blinkt
Een hersenschim

Hoor ik daar het zacht gejengel?

2012 – maaike klaster

Die zomer ben ik in een spelonk met heldere, rode honing gevallen,
terug naar huis gezwommen, heb ik mijn vingers, tenen afgelikt,
de rest van mijn lichaam af laten pellen en mijn gezicht te drogen
gelegd in een bloemenpers, waar jij het na jaren herfst terug zult
vinden naast een madeliefje en een klaverblad geplet, op een vel dat
van geronnen rozenbottelbloed is doordrongen. Lachend en wel.
Dat is hoe goed jij je voor jezelf wist te hoeden. Dat is hoe ik bloei.

blauwdruk van een middagwake – maaike klaster

Losgeslagen paardenstaarten
spinnen in de zuidenwind.

Het meisje met de bladerharen,
oranjerode ritselblaren,
fluit het luchtruim vol
met omadagen, zongedroogde
houtverhalen.

Iedere natte boomschorsdroom
wordt limonade in haar ogen.

Het najaar staart,
                      cataract cataract,
maar de zomer geeft glaucoom.

spiegelmaan – mattijs deraedt

Honderd witte bellen bevolken de nacht,
klitten samen als bubbelpapier.
Uit de watten komt de brul van de cheeta
tevoorschijn, tanden en tong suizen ronkend
voorbij het nest van de ekster.
Verzamelwoede huist in stalen schedels
van kleine knaagdieren.

Een tinkelende rattenkop slaat dubbel en tolt
door de bladeren, recht in de mand van een late fietser
met grijze en gouden lokken.

Achter deze gevels woekeren tuinkers en sperzieboon,
slapen oud en jong, vergeet men te dromen,
slijpt men nagels tot scharen, likt men yoghurtpotjes
vol kwijl en raspt men meloenen tot stof.

’s Nachts slapen, ’s morgens slaapwandelen en in de tussentijd
wandelen. De zwarte krassen van de zomer smeulen
door het geelgeblakerde gras, onze neusgaten in, mengen zich
met de schuimende rook, beukend in onze longen
als in een afgesloten grot.