Toen ik een nette jongen was…
nooit een onvertogen woord,
al zag je mij niet in de kerk.
Een kont noemde je zitvlak, achterwerk.
Mijn lief: Locomotiefje, stoomgemaal.
Haar lijf een glimmend, glanzend ketelhuis.
De daad verwerd tot heimachine-metafoor.
Toen was de kleine dood een soort fabriek:
Piepen, kreunen, sissen,
stampen, schokken, spuiten.
Men stond niet stil bij vochtverlies
Dat bleef er netjes buiten, want dat was vies.
Dat vonden ze niet kies,
toen ik een nette jongen was.
Tegenwoordig is mijn taal veel explicieter:
Hij is veel kutter en veel tieter.
Resultaten voor het trefwoord sissen
Black Swan : Aronofsky, 2010
Bij elke nieuwe stap die gaat in het anders
onbekende, daar waar ik uit moet komen
in dromig drijfzand dat al van ver ruikt
naar rot: krozen, as-
grauw. Verlegen knorren klinkt hardop
naast zalvend, maar gemeen, gakken of loeien
dat gilt open
dit drommig, dromig drijfzand,
braakbal van een lamme duivel.
“Toe maar, meisje! Schud eens op die beenderen… scherven…huid
en haar, vol bloed totdat er orde ligt en niets
anders is dan moest.”
Ach, kermende horror wordt betreden,
mijn horror, begeleid door knekelgillen
van herrezen reigers die zich grijnzend tonen louter in skelet.
nu
al wordend
ben ik dood
Wat hoort u? Het is weer het sissen
van die lamme duivel die neemt
al wat mooi,
al wat goed.
Immer oud zijn villend, stropend
Perpetuum Mobile gehouwen uit dooddonker teer,
dat alles bedekt wat een poging tot veranderen waagt
en dus mij bedekt.
Alles bedekt, maar vooral mij.
Mij, alles, mij
Recente reacties