Er is een complot van velen tegen een enkeling
die ondergaat in een massa verstekelingen.
De boot vaart op volle zee en het water raakt op.
De boot loopt vast. De verstekelingen stappen uit.
De enkeling loopt mee. Ze lopen naar het land.
Het land staat onder water. Het land loopt leeg.
Er is een eiland voor de haven. Op het eiland
slaan de verstekelingen tenten op. De enkeling
blijft waakzaam. Hij slaat de sterren gade.
Je weet nooit wat sterren doen. Ze stralen.
Ze vallen als hun tijd gekomen is. Maar
waken. Blijf waken. Zet de maan wat lager
neer. Hou je vast als enkeling dat het beter
wordt en later, alsmaar wordt het later.
Resultaten voor het trefwoord later
de dood van een
achterneefje en achternichtje
van wie ik daarvoor
nog nooit had gehoord
zij kropen tijdens het hooien
boven op de wagen
en raakten verstikt
mijn moeder kocht een kaart
voorop in grijs twee ranke korenaren
bijeengebonden met een zwierige strik
rondom gestippeld in een kader
ik postte de kaart nooit
jarenlang verstopte ik het tussen
mijn kussen en de sloop
gebruikte het nog later
als boekenlegger
en als herinnering
aan de gekte van mijn moeder
vage geluiden, zij
rollen met een rimpeling
fezelen met winden mee
zodat weinig anders over blijft
dan behoedzaam oren spitsen
met een flauwe bocht
vage beelden
opgeslagen in het brein
in de kluis van niet vergeten
spreken taalloos het licht aan
op de grens van waken en slapen
tegen beter weten
een tegoedbon voor later
wanneer dagen zijn vervlogen
en de noorderzon geluwd
rustend op de eerste steen
begraven in donker water
zodra woorden zijn verstomd
het geluid lijkt op lachen
of is het huilen bij benadering
ik hoor muren kaatsen
nu hese stemmen overslaan
ik kan het moeilijk plaatsen
ik heb niet al het zwijgen verstaan
Een dag lang uitgewrongen.
Stof gewogen. Vet gemest.
Een zin gelogen. Wilde best.
Jouw lippen kloven.
Met een bijl. Boven
je pet. Jou liggen
laten. Onder steen.
Pas eeuwen later.
Een gedicht wordt
opgegraven. Precies
op een verjaardagsfeest.
Wat doet die blote kaarsenmaker op de snookertafel?
Niemand weet het, zelfs de jongste zoon van de taxidermist
Kan slechts gissen naar de beweegreden van zijn oom
Het lijkt van ver op plat exhibitionisme
Maar dan ken je de kaarsenmaker niet.
Ik ken de kaarsenmaker een klein beetje
Drie jaar geleden heb ik eens een kaars van hem gekocht
Een kaars in de vorm van een rammelaar
Tussen zijn oren ontsproot de wiek
Na vijf seances met Tolstoj was hij gesmolten.
De blote kaarsenmaker kerft in spiegelschrift
Een anagram van OLIELAMP in zijn buikhuid
Wanneer de psychiatrische beulen met visnetten arriveren
Probeert de jongste zoon van de taxidermist hen tegen te houden
Ze nemen hem ook mee, o wee.
Een week later mogen beiden bezoek ontvangen
Ik bezoek eerst de kaarsenmaker
Hij draagt een geruite pyjama
Die ruikt naar de vorige 100 gebruikers
99 van de 100 vorige pyjamagebruikers waren imkers.
Dat wist ik niet, het verrast mij
Dat imkers zo gemakkelijk ten prooi vallen schizoïde betrekkingswanen
Ik heb kersenbonbons, een houten nijlpaard, en ‘Oorlog en Vrede’ meegebracht
De kaarsenmaker is dankbaar
Omdat hij dankbaar is krijg ik een kus op mijn clitoris.
Daarna bezoek ik in dezelfde kamer met lege handen
De jongste zoon van de taxidermist, hij slaapt naakt
Ik streel zijn penis niet.
Als was ik door goden geëngageerd,
gewogen en te licht bevonden en
-wat goden scheppen,
vernietigen zij ook weer-
doodgeslagen
en als afval afgedankt
bij het grof vuil bijgezet,
terwijl mijn kind thuis
vergeefs wacht,
jong nog, maar later
des te beter in staat er
goden om te doden.
laat mij maar
lekker leven
als ik dement ben
van lotje en zo
dat is vast gewoon
een aanpassing
Toen ik sliep had ik een boek vast,
zij mijn handen en ze vroeg of ik
met haar in de bladspiegel wou duiken
en het donders brakke water brak.
Trots in de verte torende de oever
maar twee goed gekozen woorden en
tussen haar dijen lokte ze een karper.
Zijn vinnen sneed ze tot vleugels.
We zijn aan wal van bil gegaan.
Onze tenen woelden het zand
tot hoopjes, onze tongen trilden
maar alle letters losten op.
Van zodra de wind de klinkers
verzameld had en wij, charmante
ketters, weer te water gingen,
begonnen planten te dansen,
twijgen te zingen en later,
toen de spiegel ons losliet
en de letters, ontvlamden we,
bronstig als belezen spetters.
Ik ben mijn tong verloren,
na hem te hebben besproeit
met hemelsstoffen
vage herinneringen aan
een wereld zonder hen,
zonder aarde
Het bos klampt zich aan mij vast
Geuren lokken kleuren, houden.
Reigers loeien stoutmoedig in
de hoop door te dringen,
mijn hersenpan, ze wikken hem
open met grote snavels, maar
de pot is leeg.
Later was niet langer van toepassing,
wanneer we onszelf terugvonden
in het dakloze huis aan de waterkant.
Gek genoeg altijd geloofd dat er niets vastlag
dan een hond in de kamer van mijn jeugd blaffend
van angst en frustratie naar een dronken baas
die op zijn beurt ooit moet zijn gekooid, hij
moest toch dromen hebben gekend als kind dacht
ik nog, later toen ik allang niet meer wist
hoe het voelde te happen naar lucht. Soms zwijg
ik nog bij sterke verhalen hoor ik het aan hoe ze
ooit – ik heb er geen goed antwoord op – hoe kun je
het verklaren dat je… nooit. Ik probeer het nu
te aaien. Zwaai naar de morgen van een verre dood.
Hij nadert. Iedere zin die ik schrijf is er een
veroverd op de leegte van kindertranen. Een jongen
aan de wand. Blijf maar even in mijn gedachten.
Zie hoe groot ik ben. Ik slok je op. Vergeten
zal ik nooit. Al blijf je ingekooid.

Recente reacties