zie mij gaan
met trage pas
door het labyrint
schuifelend langs hagen
geur van bijenwas
dromend als kind
vrij van onbehagen
Ik blijf staan.
zie mij gaan
met trage pas
door het labyrint
schuifelend langs hagen
geur van bijenwas
dromend als kind
vrij van onbehagen
Ik blijf staan.
Pijn in zijn maag had de broeder ervan. Hij wist dat hij het haar moest gaan zeggen, maar echt zeggen kon hij niet. Hij was klaar met al die onzin, het huisje-hoopje-kneusje-gebeuren, op de foto wilde ze niet, achter de schermen ook niet, nee hij en zij moesten gewoon met rust gelaten worden en samen goed praten, uitvechten, stoeien om wat voor iedereen het beste is, daar konden ze geen man, vrouw, kind of dier bij gebruiken, ze moesten alleen zijn, het alleen uitzoeken, in ieder geval tot het tij zou keren, de golven zich terug trokken van het strand, hongerige meeuwen niet meer cirkelden boven het zeeschuim, de macht daarboven niet meer krijste van wellust en overdaad, maar voor nu, voor nu stonden ze nog naakt alleen, tot de knieën in het water, wachtend tot de laatste golf de duinen ramt.
samen op reis
de tocht valt zwaarder dan
verwacht
ga slapen mijn kind
zegt vader tijd
morgen moeten we verder
nergens een rustplaats te bekennen
de reis hervatten geen
sprake
we zijn nooit gestopt
de goden zijn vermoeid
monoloog of dialoog
morgen zal
ik dood zijn mijn kind
wanneer is het
morgen vraagt ze
geen idee zeg ik
wat heb je gisteren
gedaan
wanneer was het
gisteren
hoe oud ben je
lieverd ik weet het niet
ik begrijp het niet
zegt ze
ik ook niet
antwoord ik
Haha
Hahaa
Haha
Hahaa
Hahaa
Als kind geschreven na het lezen van Jan Hanlo’s De Mus
Ik vraag de bloemenvrouw naar wintervaste kleuren.
Ze neemt mijn schouder.
Ook haar kind ligt toegedekt.
In een chrysanten bed.
Wiegendood.
Dagen worden nu in een rode schoot geboren.
Zij draagt de laatste nacht.
We delen de prijs.
Tellen onze kinderen.
Er is niets verloren.
Stuikhei leeft heel lang.
D 999
loop mij mee
over een strand
hand in hand
voel mij mee
koude gletsjerwind
kind en kind
zie mij mee
achter vele bomen
dromen met dromen
proef mij mee
vruchten van leven
geven ja geven
al kan
alleen voorbij
zie dan
de lange rij
toch seclude
samen
de etude
der bemiste ramen
Een zwangere zeemeermin zit op de bovenste trede van een trapleer en bidt een rozenkrans van doodgeboren kinderen. De trapleer heeft toebehoord aan een blinde huisschilder die jong is gestorven aan de vlektyfus. De broer van de blinde huisschilder is ook blind, maar zal sterven aan de gele koorts.
De zwangere zeemeermin wacht op stormvloed. Als die komt, zal haar kind geboren worden. Volgens de profetieën zal het opgroeien tot het kindeke Jezus van de zeven wereldzeeën. De zwangere zeemeermin wil haar kind kruisiging besparen en zal het daarom drie dagen na de geboorte door verwurging om het leven brengen.
De zwangere zeemeermin beweert zwanger te zijn van Poseidon. In werkelijkheid is ze hermafrodiet en heeft het kind bij zichzelf verwekt. Dat ze een erectie heeft, verbaast mij niet.
De zwangere zeemeermin weet niet, dat de wereldzeeën zullen droogvallen als zij haar kind om het leven brengt. Mogelijk is echter nog dat deze profetie alleen zou uitkomen als het kind werkelijk van Poseidon was.
Het wordt stormvloed en de erectie van de zwangere zeemeermin verslapt. Het kind wordt geboren en blijkt het syndroom van Down te hebben. Ondanks zijn afkomst kan het niet zwemmen en verdrinkt.
… ze zegt dat ze de hele dag wel schrijft om om het even wat te verwerken in haar recepten van tekens en taal. Ze zwijnt en rijmt ze hakt en maalt stukken verleden in ongelijke delen wrijft ze in met authentiekheden; een bedorven Tante met kinkhoest, een gouvernante met keelzucht – wat pijpt die diep zeg – en verdwijnt, haar vingers eerst in een zompig moeras van orgasmes, ze kreunt dat alles in en met onder elkaar zoals dat in Vlaanderen gaat al eeuwen is incest het middel tegen vervreemding er staat een afgehaalde Chinees voor de deur, alleen zijn linkerbeen is over dat laat zichzelf in en stapt in het ledikant tot de brekende morgen dan gaat het voor dagelijks brood en schopt de bakker die als kind zoveel geslagen is dat zijn hoofd in zijn romp zit, een tastbaar feit ingezet als marketing het brood heeft medelij.
Als kind al vroeg ik mij af of ik ooit
zo grijs als stoeptegels zou worden,
en overzichtelijke lijnen
me zouden tekenen
en dan langzaam zou verdwijnen
Tegen die tijd, ik zou wel zien
Nu is ooit gekomen,
voelde ik gisteren misschien
te laat was nog weg te dromen
en huilde ik om hoe een meisje op haar fiets
dat haar trappers nèt kon raken
doorreed naar het grote niets
van wat ik ooit van haar weten zou
Meisje, kind, al bijna
een ongrijpbaar beeld
wat mij raakte,
dat werd vormgegeven in mijn heden
ten dage
maar vreemdgenoeg, tijd steelt
niet de reflectoren op je pedalen
ook niet de belofte die je uitstraalde
en nooit, nooit vergeet ik, denk ik
hoe on
of gelukkig je mij even maakte
Recente reacties