Er is een complot van velen tegen een enkeling
die ondergaat in een massa verstekelingen.
De boot vaart op volle zee en het water raakt op.
De boot loopt vast. De verstekelingen stappen uit.
De enkeling loopt mee. Ze lopen naar het land.
Het land staat onder water. Het land loopt leeg.
Er is een eiland voor de haven. Op het eiland
slaan de verstekelingen tenten op. De enkeling
blijft waakzaam. Hij slaat de sterren gade.
Je weet nooit wat sterren doen. Ze stralen.
Ze vallen als hun tijd gekomen is. Maar
waken. Blijf waken. Zet de maan wat lager
neer. Hou je vast als enkeling dat het beter
wordt en later, alsmaar wordt het later.
Resultaten voor het trefwoord hun
Ze stonden al jaren tegenover elkaar
met het geweer in de hand
naar elkaar te kijken
ze leefden in een droom
een droom in een ballon
die niet lek mocht gaan
elke dag poetsten ze hun lopen
smeerden hun laarzen in
met vet
nooit is er geschoten
maar praten
deden ze ook niet.
richtende eigen rechters
trekken een angstspoor
doorheen de stad
slepen veroordeelden het plein op
nogmaals de vierschaar in
en jagen een kogel door hun kop
trekpaarden staan klaar
om te vierendelen
pijnbanken gillen geillustig
radbrakend danst het plebs
in bloedbesmeurde waanzin
omheen mobiele gaskamers
de stad stinkt naar schandebloed
een dorst niet te lessen
een donkernis niet te lichten
de sadist van nummer 10
destijds in Auschwitz
zou beschroomd zijn
onze witte engelen
overzweven
het bacchanaal
rondom de muren
geen zevengang
maar stilte
sta ik
met
…
‘Weerhaken in worsten’ is de kop, de regionale krantenkop
We zitten in de lege lobby van een hotel in Gieten
Ik sta op en zeg tegen de oude kruisboogschutter:
‘In een wereld vol hondenhaters wil ik niet zwanger zijn…’
Maar ik wil het wel, rond zijn, zelfs in deze wereld.
Ik ken deze wereld nog niet lang genoeg
Ik heb nog maar 32 schele beiaardiers, 59 necrofiele tegelzetters
86 pseudo-boeddhistische lamaverzorgers
En 101 anesthesiologen met hoogtevrees ontmoet
Nee, ik wil ze niet opnieuw tegenkomen.
Ze zouden me opnieuw sarren met hun onbesneden fallussen,
Ze zouden me opnieuw onderwerpen aan hun knullige origamicollecties,
Ze zouden vooral hun geld en hun porseleinen reigers terugeisen
Maar het geld is op en de porseleinen reigers staan nu op de schouwen
Van vurige Bulgaarse mijnwerkersvrouwen, ze staan daar goed, ze worden afgestoft.
Ik verlaat de lobby en keer terug naar onze hotelkamer
De oude kruisboogschutter blijft zitten, hij wil begrijpen hoe het komt
Dat chantage, vadermoord en hondenhaat hier zo origineel uit de hoek komen
In de hotelkamer raadpleeg ik Marcus
Hij komt niet origineel uit de hoek, toch herlees ik zijn evangelie volledig.
‘Waar was je al die tijd?’ vraagt de oude kruisboogschutter
Wanneer ik eindelijk opnieuw verschijn
‘Zat je weer in de douchecel? Jezelf vol te proppen
Met gestolen pindakaaskuipjes en geschooide stroopwafels??’
‘Ik was het evangelie volgens de guitige Marcus aan het herlezen!’
De oude kruisboogschutter gelooft mij
Hij haat het wanneer ik de waarheid spreek
Hij verafschuwt het wanneer mijn waarheid met Marcus te maken heeft
We verlaten het hotel om chantage of vadermoord in het echt te zien
We verlaten het hotel om ongekunstelde honden te belonen met vegetarische satés.
vandaag heb ik een vogel gezien
met opgeheven kop
de tegenwind stond schrap
ik heb mensen getrotseerd
op de dansvloer van de storm
ben ik blijven buigen
op een dag zuig ik
stenen uit hun geraas
blaas de deur uit van gebral
en ga slapen met de élégance
van een zwarte vogel in het licht
Ik loop rond in de hoop een mens tegen te komen
Die me een hart onder de riem zal steken
Mijn kleren verbergen mijn verbanden, maar mijn blik is erg bloot
De advocaatverslaafde fietsdief vraagt: ‘Hoe gaat het met je neus?
Heb je veel ongemak? Was de anesthesioloog een man?’
Ik antwoord op de laatste vraag: ‘Ja, een Ierse man.
Net voor hij mij in slaap prikte vertelde hij nog vlug een grap
Over twee dove tegelzetters, drie schizofrene coniferenscheerders,
Een lading gesmokkelde ossengalzeep, en kikkerdril aan waslijnen.’
De fietsdief verandert in een kangoeroe omdat ik geen plaats voor hem heb in de derde strofe.
Mijn vader neemt het op tegen de kangoeroe
Ze dragen beiden bokshandschoenen
In de buidel van de kangoeroe ligt een gestolen wafelijzer
In de heuptas van mijn vader ligt niets
Omdat mijn vader de verkeerde heuptas draagt.
In de juiste heuptas ligt een dode pimpelmees op een bedje van flosdraad
De kangoeroe wint en krijgt slaag van zijn verzorger
Mijn vader verliest en krijgt een troostprijs van mij: oliebollen
‘Ik eet geen oliebollen, ik wil mager blijven, dat weet je toch?!’ Zegt mijn vader korzelig
Hij is altijd korzelig, ik ook, kangoeroes soms.
Kangoeroes zijn korzelig wanneer ze worden gedwongen
Om krappe bokshandschoenen te dragen
Kangoeroes zijn kwaad wanneer beschonken bluessaxofonisten
Gestolen wafelijzers dumpen in hun buidels.
Kangoeroes zijn ook kwaad wanneer de bluessaxofonisten geen bluessaxofonisten zijn
Maar bijvoorbeeld kraanmachinisten, kangoeroes kennen het concept ‘beroep’ niet
Noch ‘roeping’, dit is mijn roeping, ik heb veel last van mijn neus.
een kamer verlaat aanwezigheid
zodat gehemelte aan leegte blijft plakken
een lichaam sterft bloedeloos
tot schijndood, verdrinkingsdood
wegen scheiden naar ieders weegs,
naar onderaardse brieven, ongelezen
drenkelingen wandelen in hun slaap,
praten over oeverloos land,
door halfduistere gangen
in wankele spiegeling gloort
een bruggenhoofd mosbegroeid
naar begeerte, onvolkomen
het Kwartet
is dood
vergaan
onder in de grond
maar dwarsachterdoorheen schilferwitte berkenstammen
hun gefluister
luister
dichtersbij
betraande levenswoorden
schreeuwen zich
je oren om
hun grip vast
gemastodonteerd testosteron
begraast de oestrogeniae-weide
hun steeltjes knakken
en hun stelen wapens
bombarderen sproeiend
zwaar hun spermatozoïden
achteloos op de stempeltjes
geen ova komt tot indalende wasdom
peritanale sterfte
doet hun gegeslachten extinctioneren
op de lege weide
daarna
trippel ik huppeltrutterig
zonder verbazing
muren houden adem in
hun echo klinkt kortzichtig tegen het gevallen licht
men noemt het schaduw
maar beslotenheid is niet ontvankelijk voor ruimte
de buitenwacht bevriest in gemaskeerd stilleven
gevangen in versteende spieren, geknoopte magen
iets vlucht in iemand, niets ontsnapt aan de greep
aan omklemming, kan schuilen achter zwijgende zuilen
tijd duwt geduld opzij
hartslag belichaamt het tikken fijnbesnaard
als klopjes op een dichte deur, die ieder aanstaart
eeuwen gaan blind voorbij

Recente reacties