Resultaten voor het trefwoord gritter

york – gritter

Bruisend druk de wandelgang
van de sporen naar het hart
mijn moeder was nog onder ons
de oudste kon net lopen

Een mooie ochtend in de zomer
Geen wolk of veeg te zien
Samen zoeken naar de kerk
achter stadse bouw verscholen

Om de hoek het minsterplein
waaraan de kathedraal
Groots gelegen, hoog de mond
Geschilderd alle ogen

Tezaam betraden wij de tong
met keien als papillen
Plots vervloog de stadse ruis
als een opgeschrikte spreeuwenzwerm

Stil gemaand en ademloos
geen geluid meer in de oren
bogen wij devoot het hoofd
voor gotiek die tot de hemel reikt

ruimte zonder tijd – gritter

Ik zoek, voor eeuwig
een ruimte zonder tijd
Enkel lengte, breedte, hoogte
Simpel leven in 3D

Maan de aarde dus tot stoppen
Bevries de maan in haar aardse baan
Verbreek causale ketens
Verban oorzaak en gevolg

Op die plaats, van tijd ontdaan
voor mij geen treuren om ’t verlies
van de uren, maanden, jaren
door ledigheid verkwist

in mijn hoofd – gritter

Het gebeurde in mei
De struiken bloeiden, het buiten lonkte
Grootse plannen in een voorlijke lente

Maar je ogen riepen angstig
Radeloos, de richting zoek
Je had het einde al gezien

Die nacht kwam de stilte
Dat onmetelijke niets, enkel de leegte
Het lijf verkrampt, de ziel verdampt

Sinds die tijd, sinds die nacht
kijk ik om me heen
Een glimp, een geluid, een gevoel

Maar ook al ben je nergens
Niet op aarde, niet in die hemel
Dan toch zeker in mijn hoofd

Blijf daar lief, zolang ik leef
Want in mijn hoofd ben je veilig
Geborgen, dicht bij mij

Word je bang, dan zal ik je sussen
Ik zal je wiegen, troosten, strelen
Precies, zoals jij dat deed

winternacht – gritter

de winter komt nabij
scherp en koud de lucht
de hemel stuurt de vrede weg
het zijn de vogels in hun vlucht

de kou dringt door, tot in mijn lijf
omhels me lief en zacht
kus me snel en help mij door
de lange winternacht

blijf bij mij tot aan ’t begin
van het nieuwe, naakte jaar
tot de hemel weer de vrede zendt
een hoopvol, warm gebaar

nieuwe maan – gritter

De maan boogt mistig over het land
Traag klimmend rondt ze de aarde
Wolkenflarden filteren haar licht
Tot een zwak en wazig schijnsel

Oud en stoffig, levenloos en dor
Hangt ze zwaar en laag in de aardse lucht
Haar gezicht is groots pokdalig
Haar huid gescheurd en droog

Eens was ze mooi, ooit was ze jong
Een tere bron van tedere stralen
Een goudgele muze, als fluweel zo zacht
Vol van liefde, door de zon verrast

Eens, ooit, vroeger
Tot de mens haar beter leerde kennen
En de maan haar barre kaalheid toonde
Alsook haar duistere zijde, als de nacht zo zwart

halfdicht – gritter

Op je rug met halfgesloten ogen
Staar je naar een hoek van de kamer
Even later, de ogen halfdicht
Slaap slaat zichtbaar neer, je ademt snel
Het tikken van de klok dringt op
Ik houd je hand, ik sta je bij
Ook al merk je niets
Ook al ben je ergens anders

laatste woorden – gritter

Ik veeg de laatste woorden bij elkaar
Nog even, en het hoofd is leeg
De zin was reeds weggevaagd
De vraag was verstomd
De handvol die overblijft
Ruikt muf en bedompt