Resultaten voor het trefwoord vuil

stoflicht – martin knaapen

Zacht praat de vloer
bleek van ruimte en zon

de wind schuurt de planken
met silicium lifters

zonlicht breekt lignine
waar cellulose rest.

Spinnen vingen ooit de dagen
in fraaie ronde wielenwebben

die als zeilen van stof en rag
voor de getaande ramen hingen.

Nu hangen aan de droge draden
nog zwarte vliegen en grijze motten.

Het stoflicht valt in delen
op de oude beelden

vol rust en nostalgie
die zware arbeid en bittere armoe verzachten.

En in elke reflectie
werkt de mens van toen

aan onze welvaart
van haat en vuil en spoed.

in een supermarkt met een toepasselijke sjaal – delphine lecompte

Het kind aan mijn hand is volstrekt heilig
En daarom draagt hij een dode Tasmaanse duivel rond zijn nek
Hij krijgt alles waar hij naar wijst: rijst, meloenen, forel
‘Waarom moet je zulke gezonde keuzes maken?!’ vraag ik vreselijk geërgerd
Misschien geef ik hem zelfs een oorvijg, of een kneep in zijn schouderbladvlees.

Maar het kind is niet van streek, hij vergeeft mij voor de 1031ste keer.
En nu wijst hij naar de chocolade om mij te paaien
Ik kan wel huilen met de pet van de uitvaartverzekering van mijn moeders endocrinoloog op
Op de pet dansen twee schapen vermomd als Friese zeepzieders een houterige wals
Hoe zou je zelf walsen als je schaap was, en vermomd bovendien!

De kassier vraagt aan mijn ontvoerde jongetje hoe hij heet
Hij zegt de waarheid
Buiten is het te heet om lang te verbroederen met de clochard
Die eergisteren mijn leven gered heeft
Toen ik dreigde gewurgd te worden door zijn equine lijmverslaafde collega.

In mijn huis weigert het jongetje in de zetel te zitten
Dus zit ik alleen
En alle chocolade is voor mij
Maar ik proef niets want hij staart naar mij
Het kind kijkt mij beschuldigend aan zoals kinderen, otters en asielteckels daarin getraind zijn.

‘Ga weg.’ Zeg ik mat
Ik heb zelfs geen mat
De vloer is vuil, ik heb nooit een zoon gehad.

de waarde van regenwormen – hanny van alphen

Je weet, ik ben niet het volgzaam kind
dat regenbogen tekent of poppetjes
die marcheren onder bewind. Anders dan jij
hecht ik geen waarde aan verzonnen vlinders
waarmee de ratio wordt weggeveegd.

Ik wil niet vastgeprikt in een glazen huis.
Geef mij maar aarde, dan maak ik vingers
vuil zoals het weerbarstig joch
dat maar wat aanmoddert en het gewicht
van regenwormen in z’n handen weegt.

groot hart – maaike klaster

Omdat liefde in het hart schuilt; niet in de woorden God, Boeddha
of Moeder, luister ik zelden naar het pseudo-spirituele gezemel
dat deze dagen het luchtruim niet uit te meppen is, kan het mij geen
drol, geen donder schelen wie welk ambtskleed draagt, wie voor
welke parochie preekt, hoor ik enkel op welke toon elk hart spreekt.

Nu niet gaan huilen omdat ik jou voor de zoveelste keer op de
waarheid wijs. Jij deed mij veel meer pijn dan jij ooit zal durven
toegeven. Ten faveure van wat? De goedkeuring van goed gekapte
dames die nooit een onvertogen woord laten vallen, die heel hard in
hun handen klappen wanneer jij mij publiekelijk terecht wijst zonder
zelf ooit het achterste van jouw tong te hebben laten zien?
Dapper van je.

Ooit gehoord van simpelweg een arm om een ander heen slaan?
Daarvoor hoef je niet aan de kant van die ander te gaan staan en jouw
zo dierbare Midden te verlaten, een midden dat volgens mij niet meer
dan een door jou verzonnen term voor ontwijkingsgedrag is en dat
bovendien een gebrek aan nederigheid voor het leven, de grote liefde,
de schepper laat zien. Waar komt toch die angst of op z’n minst
afkeuring voor emoties vandaan? Wil je liever niet toegeven wat je
zelf allemaal fout hebt gedaan, hoe jij situaties waarin anderen jou
– soms zelfs moedwillig- schade toebrachten, oogluikend hebt
toegestaan?

De tijd dat jij mij voortdurend de les dacht te moeten lezen is eindelijk
voorbij, al had ik nooit gedacht dat wij zo zouden scheiden, had ik
jouw arm om mij heen verwacht toen ik jou vertelde dat ik als kind bij
verschillende gelegenheden ben verkracht. “ Dat moet je die mensen
maar niet aanrekenen.” zei jij. In plaats van mij te omarmen, hield jij
een hand boven het hoofd van de goorste daders. Toch spreek jij nog
steeds van een groot, warm hart – het jouwe dus.

Heb je dat hartvormige kussentje al in elkaar gezet dat ik jou die ene
kerst kado gaf toen niemand anders dan ik jou bezocht en ik samen
met jou; voor jou huilde, ik mijn arm om jou heen heb geslagen?

Noem mij geen engel; noem mij een mens. Dat maakt met elkaar
praten een heel stuk gemakkelijker, geeft mij het gevoel dat ik net als
de rest van ons mensen hier op aarde ben geboren; dat ik hier thuishoor.
Laat mij dan ook als een mens bestaan en kijk eens naar mij. Zie je die
pijn? Engelen lijden niet; mensen altijd. Dat heeft met de haat op deze
planeet te maken, en er is NIETS verhevens aan zeggen dat je die pijn
hebt ontstegen. Dat gebeurt pas als je sterft. Wat betekent dat jij in dat
veilige midden van je niet ten volste leeft; dat jij jouw eigen zachtste
kern stelselmatig blijft ontwijken en dan stiekem mijn kant opkijkt
omdat ik nooit te beroerd ben geweest om anderen mijn hart, mijn ziel,
mijn liefde te geven. Dat weet iedereen.

Waarom zou jij mij dan jouw omhelzing ontzeggen wanneer ik voor
het eerst van mijn leven laat zien hoeveel verdriet ik echt heb; wat
mensen allemaal met mij hebben uitgevreten? Omdat je dan zou
moeten toegeven dat je dat altijd al hebt geweten en nooit hebt
ingegrepen? Omdat ik grotere pijn heb dan jij? Waarom denk je dat
ik het uitschreeuw? Omdat ik niet van plan ben in de klauwen van een
paar grote klootzakken te blijven leven. Jij blijkbaar wel.

Dat ik op tien manieren kutwijf zeg, betekent niet dat ik er zelf een ben.
Zoals er mensen zijn die anderen de godganse dag met hun oudbakken
woordspelingen vervelen zonder ooit grappig te zijn geweest. Keurig
gekapte dames die bij elke valpartij van mij goedkeurend in hun
handen klappen, die vrouwen als ik aan mootjes hakken omdat zij de
Oermoeders en Alleenheerseressen van dit universum dachten te zijn,
met alle mannen van de wereld spinnend aan hun voeten, almaar om
hun mopjes grinnikend, terwijl de dames in kwestie zich in hun
nauwelijks verholen kwaad verslikken bij het leveren van commentaar
op iets wat ik met grove taal over precies dat als heiligheid vermomde
kwaad op papier heb gezet.

Die dames grijp ik bij hun oude vrouwenharen zodra zij ook maar één
gewelddadige, praatgrage, wijzende vinger naar mij uitsteken. Daar
blijft heden ten dage weinig van over. Geloof het maar, dames.
Hoewel ik veel betere dingen te doen heb, zal ik niet schromen u het
vlees van de botten te trekken als u mij nog eenmaal flikt wat u mij al
eerder flikte. Goed luisteren naar wat mijn hart rikketikt, vuil,
achterbaks verkrachtersloeder met uw naar zwavel en hennapoeder
riekende wasem. Dit zijn louter woorden; u bent de smerigste dader.
Nu u weer.

de onderwaterlasser leert schaken – delphine lecompte

De onderwaterlasser leert de knepen van het schaakspel
In de kale woonkamer van de incestueuze imker
Het is de imkerdochter die hem onderwijst
Ze draagt een zonnebril en een slagersjas.

De jas is vuil
Maar het is geen bloed
De lasser leert snel
Maar niet rap genoeg
Om te winnen voor de zon ondergaat.

De zon gaat onder en de lasser verliest
Voor de zesendertigste keer
Hij veracht de imkerdochter eigenlijk
Ze vraagt wat er zoal te lassen valt daar beneden
In het water? Zwembadladders misschien?

De imker betreedt zijn sobere leefruimte
Hij neemt meer plaats in dan de onbespeelde contrabas
Zijn kostuum is vies van uitgesmeerde insecten
Hij zegt tegen zijn dochter: ‘Stuur de lasser weg,
Voor ik mijn geduld verlies en jouw koningin naar zijn milt verban!’

De onderwaterlasser lacht
Hij is immers al jaren miltvrij
Hij neutraliseert de imker met zijn pinkring
En werkt zijn zevenendertigste schaakspel af
Hij verliest en de schemering went.

Tijdens het veertigste schaakspel voelt de onderwaterlasser
Dat de imkerdochter hem laat winnen
Hij staat op om haar te wurgen met zijn papegaaidrukke das
Maar de imker herrijst
En forceert de koningin van zijn dochter
Als een zetpil daar in de lasseraars.

zittende beer – ellen vedder

Je knecht mij in je stoel
Ik doe mijn best maar blijf blozend
omhoog komen

Aye, ik verlang meer dan je hand
breng mij haar, je vrouw van lucht
en woorden

Veeg het vuil van me af, laat me
in aderspanning snuffelen
door een schriftloos veld
Ik zoek ons een tehuis

waar ik kan binnen stormen
Waar zij mij zacht masseert
en ‘grote man’ tegen ons fluistert
‘wel bij mammie blijven hoor’

dof – jonathan griffioen

het gloren gods vond mij
waar we eten
het stukgereten
vuil geworden
en het bleek gekeken
bleef

mijn kleren rieken
naar gebogen dagen
het verbolgen
schraal gekust
er zit nog pluis in mijn navel

alles daargelaten

suiker – rené hillenaar

op de golven van een honingzoete stroom
verkleeft zoveel meer dan de navelstreng
moeten wij niet minstens goden worden
om onze aarde van de zon te scheiden

welk water wist vuil van een verleden?
een kind is ook maar een man in de verte
die blijft vallen als hij losgelaten wordt
in meerstemmigheid van muziek

slechts enkelingen zijn dirigent
naar welke stem zullen wij luisteren
als de angel van het geweten
in kleine eeuwigheden dringt

niemand moet iemand gelukkig maken
muziek is ook om naast elkaar te drijven
en het is een zachte onderstroom
die een kind losweekt zonder pijn