Resultaten voor het trefwoord publiek

het meisje dat nolens las – hanny van alphen

Ze hield van bier en bluesmuziek
gezicht op polderdijk en molens
het oeuvre van de dichter Nolens
en werkte in een koekfabriek.

Ze diende niemand van repliek
al dreven ze de spot met haar
dan nog, geen woord in ‘t openbaar
bevreesd voor dat vilein publiek

zocht zij beschutting in de kerk
want daar, bij haar geliefd triptiek
van moeder, kind – het scheppingswerk –

was zij gelijk ’t perfecte naakt
en pas misvormd in haar kroniek
normaal geboren, gek gemaakt.

* – maaike klaster

Lelijkheid heeft een nieuwe kleur gekregen
nu jij een moeder bent en mij zelfs
geen afkeurende blik meer waardig gunt.

Ben ik zodanig in waarde gedaald dat jij mij
vanaf je zelfgeschapen hoge troon het geschenk
van vruchteloosheid waar ik mee gezegend ben
met beide handen in moet peperen?
En wie houdt nu jouw kind dan vast?

O, dat was ik even vergeten:
moederschap betekent voor jou al proostend op
een levenslang publiek jezelf in een spiegelzaal
goedkeurend toewuiven, terwijl kinderloze vrouwen
jouw verwaand vermoeide voeten kussen
en je verwaarloosde kroost ligt te janken op de gang.

omgekeerd evenredig – jos van daanen

Als u uw publiek wilt laten voelen dat u vrolijk bent,
gebruik in uw gedicht het woordje vrolijk niet,
zei de beroemde dichter in een uitgelezen interview

stel dat u vrolijk bent van regen in het hoogseizoen,
omschrijf dan uw gevoel in termen van depressie,
ellende of misère, maar gebruik het woordje vrolijk niet

of als het u gelukkig stemt hetgeen de wereld draaiend houdt,
schrijf dan in volle overtuiging dat hij naar de kloten gaat,
maar alstublieft, gebruik het woord gelukkig niet.

En als u in haar ogen kijkt, vertel haar dat het leven
daaruit weggetrokken is, dat haar huid gerimpeld is,
maar gebruik beslist het woordje liefde niet.

azze XI – {{{ïe-e-ïet-e-iët-e-ïet-e-iets}}}

azze lichaamsbedekkende kledij zo in publiek plooien, mits toegestaan nipt
over prikkelende lendenen &delen, stipt naast onverdoofde waargenomen
geslacht &zo, o zo zondags zondig, tenzij laagtij ookvoor zeden geldt,herhaalt
harkerig dwingend d’ vingerwijzing &wijst ‘t net naakt af.

* – berrie vugts

ik droomde vannacht dat ik een gevierd schrijver was
een rijk oeuvre bij elkaar had geschreven, vooral veel

proza, een enkel toneelstuk, meestal een bewerking van
en met de poëzie kon ik met de besten mee. Ingewijden

bejubelden me of waren juist uitgesproken kritisch. Toch
spraken ook zij nog respectvol mijn pseudoniemen uit.

Op het punt door te breken ook bij het grote publiek
Stond ik, omdat ik zojuist mijn eerste thriller had af-

geleverd. Ik ging casual gekleed, ik zat aan bij links
Nederland waar ik de kots halfhoog in mijn wangen

een enkele Spaanse dichteres aanhaalde met zinnen als:
“mijn honden rukken rode kabels uit je gronden”. En

met links en rechts nog wat ge-ici voor de heren (vooral)
critici, die me minzaam maar geconcentreerd aanhoorden

was mijn hachje gekocht, mijn bedje heerlijk gespreid
Ik kon mijn geluk niet op, zelfs die ene, verwoestende

Meid, jij, beminde me.

winkelend publiek – maarten beemster

In dikke jassen wandelt het chagrijn
langs reisbureaus met foto’s voor de ramen
van stranden met ver weg gelegen namen
waar mooie mensen samen kunnen zijn.

Het lijkt een misantropische reclame,
hier in het winkelhart van Nieuwegein.

hocus pocus – delphine lecompte

Pook maar gerust je vingers
In de gaten van mijn dode duif
Zijn het wonden? Ja
Is het jouw bloed? Nee, het zijne
De tweelingduif weet niet welke dans hij is ontsprongen
Aan de valse bodem plakt een briefje
Vroeger kon je er in Griekenland benzine mee kopen.

In het publiek zit de oude kruisboogschutter
Mijn dubbelgangster kust de nagel van zijn linkerduim
Ik kan mijn ouders niet zien
Maar ik weet dat ze er zijn
Hopen ze dat ik mij belachelijk maak?
Nee, ze wensen dat ik de show steel en geld vergaar.

Plots springt mijn dubbelgangster op en
Ze beschuldigt mij van brand en spaarzaamheid
Er breekt paniek uit
Niemand wordt vertrappeld en mijn vader blijft over
Ik bekijk hem, vertederd, ik wil hem kreupel maken
Een aambeeld op zijn schenen laten vallen
Maar ik bezit de kracht niet om het aambeeld op te tillen.

sorry, sorry, voor het cliché van de onbegrepene – hans van willigenburg

Ik schrijf de sokken van mijn voeten.
Daar begint het mee. Verder schrijf ik
mijn neus tussen mijn ogen weg, mijn haren
van mijn arm, mijn enkels onder mijn benen
vandaan, mijn longen naar een stuk bosgrond,
mijn buik trap ik onderuit. En ja, mijn ellebogen
tot lichtjaren achter mijn rug! Als ik dan vragen
beantwoord uit het publiek, een slokje water heb
genomen en iemand opstaat met de vraag naar ‘het doel’,
kijk ik vermoeid in mijn halflege glas en voel
ik uit de zaal zo’n lachwekkend gebrek aan geweld
een affront tegen mij vormen. Kots niets uit – grinnik…

tussen de crypto en de sudoku – arjan keene

Ik heb inmiddels goed begrepen dat
begrijpelijke poëzie niet langer
noodzakelijk wordt geacht.
Heb ik dat goed of fout begrepen?
Streept u gerust het woord door
dat volgens u niet van toepassing is.
Dan stel ik voor dat we een enquête
houden onder u, lief toegestroomd publiek.
Willen degenen die goed streepten
ter rechterzijde plaatsnemen.
En al die fout hebben doorgehaald
hadden het uiteraard goed, neemt u
dan bij de goeden plaats op schoot.
En wie streepte er begrepen door?
Mooi, stapelt u maar bovenop.
Ah, u zette de pen in het woord of!
Ja, dat is ook een goede variant,
klimt u maar, het kan erbij.
En iemand die poëzie uitgumde?
Niemand? Onbegrijpelijk.