Pallas was geen zwijger, noch sprak ik hem veel. Haar pessimisme tegenover de blauwe wolken en de rode maan, Pallas kon er niets aan doen, dat ik haar kende van voor het misbruik, sommige dingen groeien zo, en dat kan je haar niet kwalijk nemen, heb ik nog tegen Pallas gezegd. Maar nee, zij en Pallas zouden en moesten gaan samenwonen, ongeacht de financiële problemen en extra kosten, omdat het een servicewoning is met een heleboel overdadig groot onderhoud en een tuin waar niemand in durft te lopen. Maar goed, ik heb ze nog gewaarschuwd, maar zij en Pallas wilden niet luisteren en moesten na inlevering van 25% van hun totaal inkomen toch tot het inzicht komen dat samenwonen niet meer zo voordelig was in de nieuwe participatiemaatschappij. Nu zit Pallas tegenover mij, hij heeft ruzie met haar en kijkt televisie, ik denk niet dat ik hem vandaag nog op het idee kan brengen om ergens anders te gaan slapen, maar kijk hij heeft trek, misschien dat Pallas vanavond toch nog ergens anders beland, wie weet, wie weet, wie weet. Morgen zal ik zijn vriendin bellen.
Resultaten voor het trefwoord morgen
samen op reis
de tocht valt zwaarder dan
verwacht
ga slapen mijn kind
zegt vader tijd
morgen moeten we verder
nergens een rustplaats te bekennen
de reis hervatten geen
sprake
we zijn nooit gestopt
de goden zijn vermoeid
monoloog of dialoog
morgen zal
ik dood zijn mijn kind
wanneer is het
morgen vraagt ze
geen idee zeg ik
wat heb je gisteren
gedaan
wanneer was het
gisteren
hoe oud ben je
lieverd ik weet het niet
ik begrijp het niet
zegt ze
ik ook niet
antwoord ik
Van uitstel komt afstel, zei de moeder die ik kende,
denk vandaag aan theepothuizen, koks en herdershonden
omdat je morgen weer met andere zaken bezig bent.
Mijn broertje hield van koffie. Ze sloeg hem over,
mijn zus droeg dezelfde blik die de moeder al die jaren droeg.
De dieren, waaronder mijn vader, had ze maar verzwegen.
Als er een luik had bestaan, had ik je wel toegelaten,
samen met de kleinste paarden en de blauwe giraffen
uit mijn kinderboeken. En er zou niemand lachen.
Ik dwaal over eindeloze wateren, draag tinnen emmers lucht
en gun me hier mijn naam te zijn.
Ik heb een abortuspraktijk in mijn bovenkamer.
Daar drijf ik ongewenste gedachten af,
illegaal.
Ik verdrink mijn verdriet in gemberbier.
Zeg maar, kan er een droge emotie bestaan?
Als ik mijn ogen sluit,
blijven muren zichtbaar.
Dan regent het in mijn glas.
Druppels verdunde jodium vloeien
in even dunne, schaduwrijke wonden.
De stilte overstemt monotoon
de geluidaanwas
van die ene gevoelige snaar.
Ik zou willen dat er nog dagen
van morgen bestonden.
de regen deze morgen
valt niet alleen
naast mij
(op de rest)
ook op mij
sijpelende meanderend
aquavie
uitmondend op stranden
van boezemkamers
waar mijn barkje
de tsunami opwacht
golven meeslepen
in de verte
een lichtje
Mijn man krijgt morgen een spuit
in zijn knie ivm slijtage,
het is nog niet erg genoeg
om een nieuw knie te krijgen.
Nu ziet hij er tegenop,
is dat juist of
valt het wel mee.
Wie heeft hier ervaring mee?
morgen gaat het huis tegen de vlakte
lijken bomen berooid, op slag
hun staketsels gerooid
komt herinnering in de wurggreep van kaalheid
geraakt althans het fundament van
het ooit onmiskenbare in sluierbewolking, in stiltekramp
ontaardt aarde in ontgronding
morgen is het te laat
gedaan
er is nu geen tijd meer om foto’s te vergelen
of oude wonden te helen
laat staan de schaduw te stoppen
laat staan
of was het slopen
… ze zegt dat ze de hele dag wel schrijft om om het even wat te verwerken in haar recepten van tekens en taal. Ze zwijnt en rijmt ze hakt en maalt stukken verleden in ongelijke delen wrijft ze in met authentiekheden; een bedorven Tante met kinkhoest, een gouvernante met keelzucht – wat pijpt die diep zeg – en verdwijnt, haar vingers eerst in een zompig moeras van orgasmes, ze kreunt dat alles in en met onder elkaar zoals dat in Vlaanderen gaat al eeuwen is incest het middel tegen vervreemding er staat een afgehaalde Chinees voor de deur, alleen zijn linkerbeen is over dat laat zichzelf in en stapt in het ledikant tot de brekende morgen dan gaat het voor dagelijks brood en schopt de bakker die als kind zoveel geslagen is dat zijn hoofd in zijn romp zit, een tastbaar feit ingezet als marketing het brood heeft medelij.
Er zit een goedgeklede duivel tegenover mij
Hij wil dat ik minder over mijzelf schrijf
Hij vraagt aan de waard of hij zijn GSM mag opladen
We delen een bord koeientongen
Vroeger vereerde ik veel beesten, de koe nog steeds.
Onder de tafel zijn mijn veters los, vooral links is het vervelend
De goedgeklede duivel zegt: ‘Morgen koop ik nieuwe kleren voor jou.’
De waard vraagt of mijn moeder nog altijd zo wild is
‘Bedoel je sletterig?’
De duivel hoont: ‘De appel valt niet ver van de boom.’
Maar ik was nooit zo wild als mijn moeder
Wel altijd zo weglopend als mijn vader
Ik strik mijn veters, dat heb ik van de tuinman geleerd
De tuinman van mijn grootouders was geen duivel
In zijn cel heeft hij vorige week zelfmoord gepleegd.
‘Je denkt weer aan die tuinman!’ Zegt de duivel verwijtend
‘Ik ben blij dat hij dood is.’ Lieg ik
De waard vraagt of mijn vader nog altijd goochelaar op een cruiseschip is
‘Je bedoelt buikspreker. Ja, ze dragen hem op handen. De negentigjarige gravinnen vooral.’
De duivel staat op om een praatje te maken met een jongere vrouw.
Ze palaveren over tapijtenkloppers, en over het Lam Gods
De jongere vrouw klinkt zelfverzekerd
Alsof ze het van haar ouders heeft geleerd
Het lokken, het strikken.

Recente reacties