Resultaten voor het trefwoord koele

vakantieliefde voor gevorderden – martin knaapen

Vermoeide bomen
verschieten droog van kleur.
Vroeg oud geworden bladeren
strompelen, buitelen
over het vergeelde veld
vol spijkerharde distels.

Onbarmhartig zuigt
het felle licht
de laatste restjes vocht
uit de scheurende bodem.

Vogels vluchten dieper in
heggen en struiken
en zelfs de hagedissen
duiken dieper
onder de hete stenen.

De stroom wordt poel
en in de diepste kommen
schuilen vis en
amfibie.

Schaduw trekt een
scherpe grens tussen
leven en dood
en verliest terrein.

Hoog op stijgende winden
wachten cirkelende
gieren
tot het leven valt.

Traag stroomt mijn
dikke bloed
onder de dorstige,
pijnlijk barstende huid.

Denken stopt waar
slaap waakt,
tot zachte nevels
uit de bergen dalen

en jij
je koele hand over mijn wangen
strijkt.

lege kamers – kid-lee vermaase

Brekend, golven van koele lucht,
Op het huis stuk met een zucht.
Ik zit in een kamer, geheel alleen.
Ginder hoor ik jou. Waarheen
Ga je, blootsvoets, met stille stappen?
Je masker hangt nog ergens langs de trappen,
Boven sporten, steile treden hoog;
Naast deuren tussen vage verlichting,
Verstopt in schemering; de kentering
In je schreden, aan de gene zijde,
Weg van mij, de kamer die ik benijde
In.

Hemelnat spat tegen geruite ramen
Van een ruimte waar we tezamen
Wijnen ontkurkten, op ’t tapijt neerhurkten
En vlammen voelden in lijf en leden.
Ik staar, doe stappen, kijk langs de treden:
Hoor ik jou daar? Zit je wat te doen?
Ik hoor je denken, volg je terug naar toen;
Langs de sporten en glad gelakt hout,
Zie ik even je gezicht, mij zo vertrouwd.
Sloffend schuif ik terug een kamer in,
Verlangend te verklaren dat ik je bemin.
En als kaarsen doven, hemel blijft luisteren,
Dan zal ik je morgen weer mijn hart toefluisteren.

warmte in de herfst – kid-lee vermaase

Een druppel sijpelt op de grond
Door koele lucht, door kou verbolgen.
Honderdduizend zusjes volgen:
Onstuimig, woestig stort ’t in ’t rond.
Zonder mededogen waait het;
Met donder en wolken laait het
Onweer op: takken berooft, hun
Ornaat gaat hulploos rond mijn hoofd.

Ik verlaat de vertrouwde laan;
Langs straten en steden zal ik gaan,
Reeds vroeg en tot de koude nacht.
‘k Ben warm van binnen, word verwacht
Door haar daarginds. O herfst, vandaag
Heb ik haar verfrissend graag.

scharnier: verlangen – eelke van es

De ramkoers vordert richting Zuid
voorbij de koele groene steden.
Rashond strekt zich karig uit,
hij wordt door stuurmanskunst gestuit.

De Schipper schuifelt naar beneden,

gooit de troepen van zijn schuit
die ’t Zeeland onbeschaamd betreden
om de wieren te bekleden
met lichaamstaal en liefdeskruit.