Hij zag haar onschuldige glimlach met de dag een beetje verdwijnen. De maan viel nog steeds niet uit de lucht. Zijn zwakte, het verlangen was zichtbaar, in elkaar gedoken, gestrest van zichzelf, schoof hij de dagen verder en verder opzij. Besluiteloos was hij zonder haar, zonder zichzelf, zoekend naar iets dat hij nog zou kunnen voelen nu hij weet dat zij er echt, echt niet meer is. Hij kon zich nergens, nergens meer aan vastklampen, haar woorden waren zijn enige zekerheid, een zekerheid die nu voorgoed verdwenen was. Telkens, telkens probeerde hij ergens anders aan te denken… ergens anders, ergens anders, ergens anders... maar elke bloedcel in zijn lichaam, steen in zijn huis, letter in zijn boek, droeg nog haar adem, nog haar naam. Hij kon gewoon nooit meer winnen, niet van haar, niet van zichzelf, niet van de ander, niet van de rest. Zonder haar was hij een lege huls vol wanhoop en verdriet, lucht zonder aarde die helemaal niemand meer kende, niemand meer liefhad, zelfs zichzelf niet meer zag. Hij was onzichtbaar, stuurloos ontspoord door ellende, hij was een gebroken ziel die verdwaald alleen naast de afvalbak lag.
Resultaten voor het trefwoord ziel
Weg, ver weg uit de kelder van de ziel
met de vrijheid van het lichaam
naar feesten van alledag
door onbeschaamde tuinen, felverlichte etalages
langs de stilte van het ommuurde bed
op de fiets, voorbij het uitdijende heelal
met de scheur door het servet dat geen laken kan zijn
met het vliegend hert naar het land
van de timmerman, bij wie thuis de kastjes scheef hangen
van de onbekommerde, die de ogen sluit voor kwel
met de vrije wil, gevangen door verdrongen dwang
van degene die leest en schrijft
ergens komt
en nergens blijft
Laat het maar rusten, gewoon rusten
Ik weet dat liederen schuilen in mijn aderen.
Ze tollen in het duister van de stroom.
Tot nu kan ik enkel huilen.
Ik wacht nog op het kloppen van de klonters.
Het losbarsten van mijn tong.
Zonder te bezinnen.
Spat open lyrics.
Ik sta hier niet voor niks te borrelen.
Guts de gloed over mijn lippen.
Begin te bezingen.
Zodat ik even schuilen kan.
In een hoek van mijn leven.
Ik ging naar Drieborg
Want het heeft een naam.
En het ligt eigenlijk.
Hier best een eind vandaan.
Tegen de storm in op de fiets.
Want Drieborg heeft veel ruimte.
Maar fiets je hard genoeg
Voel je daarvan bijna niets.
Over Drieborg wordt weinig gesproken.
Misschien wat gefluister in de duisternis.
Alsof het er stikt van de spoken.
Dat het er niet pluis is.
Drieborg is zelden beschreven.
Het weinige dat we weten.
Is dat er nog veel communisten leven.
(Maar tussen U en ons)
Die hebben het allang begeven.
Word je in Drieborg overvallen.
Door honger, dorst of plotse jeuk.
Om 5 uur gaat Het Noorderlicht open
Voor bier, patat, hoor dan de wichies lallen.
Voor elke Drijborger zijn er zwei te veul.
Sprak ooit een laaiwabbe uit Vlagwedde.
Maar krek toen lag een een Drieborger.
Lekker met zain wief op bêdde.
De hoofdstraat slechts een karrepad.
Wel geasfalteerd want je moet toch wat.
De smidse: vuur en muur, koud en kil.
In Drieborg is het al te lang te stil.
Ze zeggen dat je erop kunt wachten.
Dat zelfs de spoken het dorp verlaten.
Niets dat we al wisten.
Geen Drieborger laat zich kisten.
Ik sprak een ziel in Drieborg.
Goedgeluimd en weldoorvoed.
Stond een reiziger te woord als dat hoort.
Als was mijn last zijn eerste zorg.
Is er dan echt geen brug in Drieborg?
Zo hoor ik een stille vraag.
Maar of die mijn fiets zal houden.
Blijft nog steeds wat vaag.
Natuurlijk zijn er geen drie borgen.
Als je Drieborg binnenfietst.
Statig pronkend met hun tuinen.
Het Noorderlicht: – verders niets.
Je kunt het keren, je kunt het draaien.
De boeddhist in mij kreeg wat hij zocht.
Niks te eten, niks te halen.
Niet voor een moment geborgen
Laat staan even uit de tocht.
in het woud
schier ondoordringbaar
galoppeer ik
op de laatste overgebleven eenhoorn
wijzen wijken uiteen
kringen om
hun ziel
mijn entrada
luid ruisend begroet
op die venusheuvel
ontspringt een beekje
teer kabbelende naar benee
floreert maagdelijk gras
mosgroen onder voetzolen
barrevoetse wortels klinken
in de genesis van het nieuwe
dat vol bravoure
met jeugdelijk elan
ontspruit
‘Neemt niemand de telefoon op?’
wat is er eigenlijk mis met flessenpost aangezien
overzeese dromen smoren in een ongewilde noodstop
ik ben aan een dampige broodtrommel ontsproten
maar de kruimels achtervolgen alle geluiden in stilte
niettemin ben ik op weg, heb ik mijn land ontsloten
twaalf uur slaat de klok, de dag is doormidden gebroken
koffie uit automaten laat plastic achter in de mond
en smaakt bitter, ik weet het, ik heb eraan geroken
de stoet komt weer op gang zonder dat ik het merk
roest van de ziel is nu verwaaid met stuifzand in de lucht
genoeg gelummeld, geld moet rollen, aan ’t werk
op doordeweekse dagen is de aandacht niet bij de les
het schuim van hoge golven lonkt in de razende storm
ik voel een getemde zee maar werp mijn fles
Je staat in de kleine verte, bijna niets dat is, dat werkelijk blijft,
de zon ontvreemd, gezichten zijn anders, bekend is onbekend,
je knikt nog maar een keer, mijn ziel vertroebelt met het weer,
ogen in een eenzaam hart, de verbogen lucht en armoede.
Veel, veel armoede.
Je mist me, ik jou ook.
Tot snel, tot de volgende keer.
Met blauwe vingers probeer ik, probeer ik echt, probeer ik, echt, echt vast te houden, vast te leggen… Dat wat sterker dan geluid of licht is, ik probeer het aan te raken, probeer het echt, misschien vraag je het jezelf niet eens af of sta je er nooit bij stil, bij dat wat door alles heen gaat, je gewoon voelt, omdat het er is.
Dat, dat laat ik niet los, omarm ik, knuffel ik, bevrij ik in gedachte, in mijn hart, achter mijn ogen, dat dus, dat wat niet tastbaar is, dat ik probeer te omschrijven, altijd aanwezig op de voor- of achtergrond, als een boek dat geen einde kent,
gedachtekracht,
de geest zonder ogen, de ziel die je bent.
De wereld openbaart zich aan ons
Allen, doch met gesloten ogen sluiten
Wij dit af. Wij die bomen vreten,
Dieren, de raven die ons de dood
Wijzen, volledig vergeten en
Negeren. Er heerst een plaag, soms
De handen wassend in onschuld, doch
Vaak gedragen door het afgestorven
Nachtegaal gezang. Alles raakt met
Lichtelijke strelingen naar vergetelheid,
Niet in hart en ziel, maar in het
Afgekaderd, koude verstand.
Rationaliseren, problemen oplossen veroorzaakt
Door onze blikken. Die van een boom,
Enkel papier zien. Koortsig door een
Knagend geweten aan mijn
Eigen handelen, dat dit tot uitkomst
Laat komen. Onze graven al sinds
Het begin van ons leven gegraven,
Duwen onze lasten ons dieper, en
Dieper de grond in. Ogen
Nemen waar, maar het blijkt een
Afspiegeling van de vergankelijkheid
Van onze wil. Betonnen huizen
Beschermen ons, wat verdedigt
Alles daarbuiten? Simpele wezens
Dat onbegrip met vuur bestrijdt.
Wij zullen niet als feniksen
Herrijzen, maar verdreven worden
Van ons huis, de vernietiging dragend een
Plek in onze harten, en zielen zullen
Verscheurd door wolven, vergaan tot as.
In de stegen van de openbaringen
Rusten, tot het einde van al onze
Dagen. Ongenezen wonden zullen niet helen,
Maar de last, het lood niet te vormen
Tot goud, verder het graf in dragen.
De wereld eindigt niet met woorden,
Maar met geschreeuw gedragen door dieren,
Planten, bomen en het herstel van de aarde
Haar pracht.
Jij, die weet dat ik geen onbeschreven blad ben
maar getekend door woorden
mij kunt lezen nu ik naakt voor je lig
en ik mijn ziel in je lichaam schrijf
Jij, die behoedzaam de blaadjes van mijn hart
omdraait als ik er hardop uit voorlees
ezelsoren vouwt in mijn kwetsbaarheid
zodat ik weet waar ik gebleven ben
Jij, die weet hoe je onderhuids kruipt
onder mijn vel beweegt
mij van mijn zinnen berooft
ze teder uit hun verband haalt en omwikkelt met liefde

Recente reacties