Resultaten voor het trefwoord bier

avondmaal – iniduo

Gezeten aan de dis
Komen spijzen voorbij

In overvloed, rijkelijk bedeeld
Borden vol goede moed

Hunkeren jeukende magen
Naar verlossing in genade

Drijven vier jaargetijden
Op een bed van bier en wijn

Verstrooit geluid in gordijnen
Met verdwaalde woorden bedrukt

Wisselt het licht van wacht
Quattro stagioni, een erehaag

Is er koffie
Voor de laatste maal

een vreemde eend‏ – iniduo

Laten we dit moment van luwte aangrijpen
Of anders samensmeden tot gietijzeren wil
Op het gevaar af zeewaarts te waden
En toch terzijde het volgende, marginaal
Rechts waterdragend (eenmaal op weg)
Elke keer gezeik, normatief voorgebakken
Genoeg van gewoon doen, aanpassen
Van voortuinen, vensterbanken, grasmaaien
Dure tankbeurten voor ik het vergeet
Hoeveel voet gaan in een meter bier
Ons perspectief kan gelukkig meer bevatten
Dan de berging en zo nodig vloeibaar
Er is dus sprake van wederkerigheid
Weliswaar met beperkingen maar toch
Ik zie het als een eerste stap, een begin
We zijn voorbereid als de vraag toeneemt
Hier of elders, maakt in principe niet uit
We zijn er klaar voor, beslagen ten ijs
Buslijn 12
Gesitueerd rond beteugelde geneugten
Nog één nachtje slapen

een ziel in drieborg – berry tunderman

Ik ging naar Drieborg
Want het heeft een naam.
En het ligt eigenlijk.
Hier best een eind vandaan.

Tegen de storm in op de fiets.
Want Drieborg heeft veel ruimte.
Maar fiets je hard genoeg
Voel je daarvan bijna niets.

Over Drieborg wordt weinig gesproken.
Misschien wat gefluister in de duisternis.
Alsof het er stikt van de spoken.
Dat het er niet pluis is.

Drieborg is zelden beschreven.
Het weinige dat we weten.
Is dat er nog veel communisten leven.
(Maar tussen U en ons)
Die hebben het allang begeven.

Word je in Drieborg overvallen.
Door honger, dorst of plotse jeuk.
Om 5 uur gaat Het Noorderlicht open
Voor bier, patat, hoor dan de wichies lallen.

Voor elke Drijborger zijn er zwei te veul.
Sprak ooit een laaiwabbe uit Vlagwedde.
Maar krek toen lag een een Drieborger.
Lekker met zain wief op bêdde.

De hoofdstraat slechts een karrepad.
Wel geasfalteerd want je moet toch wat.
De smidse: vuur en muur, koud en kil.
In Drieborg is het al te lang te stil.

Ze zeggen dat je erop kunt wachten.
Dat zelfs de spoken het dorp verlaten.
Niets dat we al wisten.
Geen Drieborger laat zich kisten.

Ik sprak een ziel in Drieborg.
Goedgeluimd en weldoorvoed.
Stond een reiziger te woord als dat hoort.
Als was mijn last zijn eerste zorg.

Is er dan echt geen brug in Drieborg?
Zo hoor ik een stille vraag.
Maar of die mijn fiets zal houden.
Blijft nog steeds wat vaag.

Natuurlijk zijn er geen drie borgen.
Als je Drieborg binnenfietst.
Statig pronkend met hun tuinen.
Het Noorderlicht: – verders niets.

Je kunt het keren, je kunt het draaien.
De boeddhist in mij kreeg wat hij zocht.
Niks te eten, niks te halen.

Niet voor een moment geborgen
Laat staan even uit de tocht.

alc. 8,4% vol. – iniduo

het jodiumkleurige bier
smaakt naar verveling
de prijs die ik voor een aanbieding
van de Lidl heb betaald
verhoudt zich als draaiende magen
en de deinende reling
op denkbeeldige, golvenhoge zeeën
zonder kust of einder meer bepaald

dit portret van de zelfbedrogen droom
is verankerd in ongeschreven wetten
de lauwe lucht die me benevelt
maakt me sloom
na de eerste keer rest herhaling
van zetten

ik weet ‘t
stom, stom, stom

brief aan iemand die ik kende – maaike klaster

Eens zullen wij het nooit worden.
Wilde jij nou bij mij of ik bij jou terugkruipen in die buik,
onder een zelfgebreide streepjestrui? Want net als een zeepaardje
kan ik mijn mannen zwanger door die oceaan laten dobberen en
ik ben, zoals je weet, de Kleine Zeemeermin in het groot. Niet de
Disney-variant, maar de echte, die zich in de golven van haar vader’s
zee werpt, sterft, omdat niemand haar voor vol aanziet. Zelfs jij niet.

Toch blijf ik van je houden. Lamlendig, dat wel.
Wordt dit zo’n gedicht dat mensen gaan citeren tijdens
bruiloftsredes; aan het graf van een gestorven dierbare?
Ik lach me nu al een kriek. Wat dacht je ervan?
Zullen we buiten op het plein een pilsje gaan drinken,
ook al houd ik helemaal niet van bier? Je weet me te vinden. Aan de
overkant van één de zeven zeeën.

haar nieuwe speeltje – hans goudart

Onder de douche zing ik
stuk ellende, stuk verdriet
laaghartig laffe plompverloren polderlomp
Betrap mezelf op een paar huppelpasjes
Mompel bij de afwas Hork-tot-op-het-bot
Verzucht stofzuigend hardop
Verkloot met voorbedachte rade
Van paleis tot plaggenhut en ieder
pretpark werd een dépendance van Delta
In de Supermarkt Er is veel te veel
waar ze veel te weinig van begrijpt
Wat ze zich verbeeldt te weten
over mannen, over zichzelf…
woorden, woorden, woorden
Geen woord over misplaatste trots.
Haar nieuwe vlam als demonstratie-model
een jacht-trofee in mijn stamcafé
Mijn eerste bier die middag
brengt een refreintje mee
Zijn naam vol mededogen eindeloos herhaald
en in alle talen die ik ken
Arme jongen, arme-arme jongen…

verliefd gedicht – jan holtman

(tuinfeest Deventer 2002)

jij, in engelachtige verschijning voor de dichter des vaderlands
met in je sproetige meisjeshanden twee glazen bier
één voor jou en het andere voor mij, terwijl hij je opnam
en ik hem, zag z’n duimen draaien, twee handen op de rug

en dan Jean Pierre met z’n Indische kookvriendin, de wijn
of erger, z’n mobiele telefoon en de sms berichten die hij mij
liet lezen, geheime vriendinnetjes in de stad, ik herkende dat
maar voelde mijn dichtersziel ver verheven boven de zijne

‘Trek je d’r maar niets van aan’, schreef hij in Onmogelijk Geluk
jij, de dood nog in gedachten, uitlopers van tranen op je wang
kuste mij en ik dacht: ‘Dit is geluk Jean Pierre en de nacht
zal jouw ogen eerder sluiten dan de mijne.’