Posts tagged “jan holtman”.

sandalen – jan holtman

Ik heb haar sandalen
op het aanrecht gezet
om haar nog meer
te missen

vreemde dingen
zonder haar voeten,
vreemde keuken ook,
sandalen op het aanrechtblad.

afscheid – jan holtman

Je laatste woorden
zullen niet je
laatste woorden zijn

je nam geen afscheid
maar bleef achter
ergens op dit papier.

twents graf – jan holtman

Het gras zo kort gemaaid,
zo strak, zo groen, zo
braaf hadden wij het nooit

het flesje wijn voor je
verjaardag laat ik maar
ongeopend

ik verstop het
in het haagje
achter je en

niemand zal
het zien.

zingend ijs – jan holtman

Het ijs, spiegelzwart,
zingt een duister lied
onder haar slagen

golvend op het water
tot het gele riet
bevroren kragen

‘Net walvissen’, zegt zij
en ik doe een slag
en vat haar heupen;

‘Meerminnen Lief,
het zijn meerminnen,
zingend over jaloezie.’

de dooi (fjodor vasiljev) – jan holtman

Hier
is het landschap de baas,
pakken de elementen
water en lucht zich samen,
is beweging een karrenspoor,
smelt sneeuw in olieverf,
ontdooit het doek in het
Russisch landschap van
de schilder.

natuurimpressie in haiku – jan holtman

Het lid verheft zich
de kop nog zachter dan het
meest zachte fluweel.

ode maritima (pessoa in knokke) – jan holtman

I

Pessoa in Knokke
is vloeken in de kerk

zijn poëzie ligt
hier op straat

Go-carts en chi-chi,
zegt zij.

 
II

Ik kijk van me af,
verlies me in de verte,

een hand voor mijn ogen,
een hand in haar hand

aan onze voeten
zijn poëzie.

 
III

‘Ga voort’, ze schrijft
het gedicht van een tegel over

Met handen vrij kijk ik om
en zie Knokke

en de zee weerspiegeld
in glas en beton

aan de hunze – jan holtman

I

Hier nu, aan de oevers van de Hunze
denk ik aan Camperts lamento,
het gemis langs het lange diepe water

maar het zal de breedte zijn,
die gedachte,
niet de diepte

hier nu,
met een boekje
in het gras.

 
II

Ver achter mij
de glooiing van een heuvelrug,
veen versus zand
en dorpse geestdrift
kerktoren en molenwiek

ook deze zullen
eens verwaaid zijn

dan is het dag-,
schrijft Nietzsche.

 
III

Ik denk aan diepte,
Campert versus Nietzsche
gevoel en hoogmoed,
liefde en angst,
water en vuur

en Campert die durfde
langs het lange diepe water

waar Nietzsche
altijd hoofdpijn had.

hinde – jan holtman

I

Ik vind je, spoor je,
raap je keutels op
en ruik daaraan
om te weten
hoe ik je strikken kan.

Ik volg je pad,
je tred,
je dameshak
nauwkeurig en

weet al waar je
beschutting zoekt,
je zelfzuchtige gang
heeft je verraden.

 
II

En nu met kloppend hart,
de opwinding nauwelijks
de baas, kraakt iedere tak,

onverdraaglijk licht, laag
over het land, te scherp
voor zekerheid en zicht,

de angst gezien te worden
in dit licht, we willen
elkaar slechts in een flits

of liever niet
ontmoeten.

het eeuwige verlangen – jan holtman

I

Wat is de bestemming
van het woord

in dit genadeloze wit

wat is de bestemming
van een zin

die vragend begint?

 
II

mijn lief, mijn letter,
mijn woord, maar is,

is dat voldoende?

 
III

Nog genadelozer dan
dit wit ben ik

in het eeuwige
verlangen.

laatste ronde – jan holtman

Kon ik je maar omarmen
zoals je jurk dat doet, in
het rood het liefst en ik
zou je als gegoten passen,

kon ik je maar omhelzen
zoals je sjaal dat doet in
de late avondbries als de
kroeg gaat sluiten en jij

mij omslaat op weg naar
huis, waar ik tenslotte nog
het sleutelgat wil zijn
om in je hand te kijken.

thuiskomst – jan holtman

De nacht bracht
vertier en glazen
tot de rand gevuld

en onder het dons
roken onze armen
nog naar het koper

eenmaal thuis
was alles weer
bij het oude

post en natte kranten
en een geur van
weken weggeweest.

brieven I – jan holtman

Ik weet m’n woorden
in de tijd geborgen,
naast het kinderbankje
en het groene schoolbordje
met kraaltjes om te tellen
en rode wijzertjes
voor de tijd.

brieven II – jan holtman

Dat ik je schreef
en niet meer schreef,

weet je nog dat we brieven
van anderen verbrandden,

het vuur laaide op,
oude brieven,
branden goed.

balkonscenes – jan holtman

I

Gezeten op het balkon
knarst alles, behalve het grind
van vroeger toen hij het
nog harkte en de tuin in een
zinloos wieden vorm gaf om

zich ’s avonds in de schaduw
van de ondergaande zon
de rijkdom te beseffen van
haar voeten op zijn been,
haar enkels om te strelen.


II

Gezeten op het balkon
van het nieuwe appartement,
het huis verkocht, de tuin
werd hem te veel, zegt zij
zwijgt hij en kijkt minzaam

naar de dampende thee,
haar enkels enkel nog
vleesgeworden herinnering,
een rollade in sandalen,
haar voeten zijn niet meer.

vrijheid en wetten – jan holtman

De ware vrijheid
luistert nauw
naar de wetten,
gevangen in de
om hun eigen as
draaiende eisen
van de syntaxis
is het woord vrij,
maar niet de spreker,
is het gedicht vrij,
maar niet de dichter
die dankbaar buigt
als het gedicht
hem schrijft.

bijzonder kind – jan holtman

Een bijzonder kind,
een beetje druk, trekt
soms z’n broekje uit,
speelt niet, verveelt niet,
weet niet hoe laat het is,
weet nooit hoe laat het is,
loopt naakt door de kamer,
toont het kleine geslacht
niet uit onmacht, maar uit
macht, omdat het weet,
omdat het helaas al
weet heeft van macht…

leed der natuur – jan holtman

Haar tuin is trampoline
een boompje staat nog
in de weg

een kind zou zich het
hoofd kunnen stoten,
geen twijfel over mogelijk

dat boompje moet nog weg.

date (I) – jan holtman

We hielden woord en vast
aan het bevrijdende idee
te moeten wandelen en
we wandelden,

duizend kleuren tussen
zwart en wit, varianten
op wat we al wisten,
wandelen aan het strand,

naar het noorden,
want de zee lag
links van ons

en terug
naar het zuiden,
de zee rechts.

date (III) – jan holtman

En weer wandelden we,
de zee links, de zee rechts.

Een zucht van de ziedende zee,
schreef Perk aan zijn Iris.

Ik weet niet wie er zuchtte;
zij, ik, het matras

of de zee.

wees (I) – jan holtman

Vlees en bloed
zijn wiskunde
geworden, de
opkomende wind
de weerkundige
logica van een
warme zomeravond
met naderend
onweer en tijd
om te gaan en
te blijven, hier
liggen ze dan.

wees (II) – jan holtman

Mijn ouders
ze leven nog
wanneer ik een hand schud
en mijn naam uitspreek
in bronzen letters.

vlak en wit I – jan holtman

Zo vlak en wit
de muur het papier
met de letter breekt
ontstaat het venster

zo staar ik naar buiten
het woord, het gat
van de nacht, het
licht van de dag in

met handen die nog
geen handen zijn
en te korte armen

en ogen die kijken
zonder te zien.

vlak en wit II – jan holtman

Zo vlak en wit
moet het gegaan zijn.

Ik heb het bed,
de nachtkastjes met links
de jachtgeweren en
rechts het rieten mandje
met klapoorbellen en
verbanden voor
een bloedneus, nooit
anders kunnen duiden,

ergens
in deze abstractie

vlak en wit III – jan holtman

Zo vlak en wit
de muren strak
spraken zij

moderne flat
het ledikant
en de sprei

de wieg en
de kier in
de sluier.

no 199 – jan holtman

De muur staat weer stevig
op de fundamenten van
rust, reinheid en regelmaat,
maar ‘t cement laat los en
ooit vergeef je me dat ik
je mateloos lief heb gehad.

ritueel – jan holtman

Ook als de postbode voorbij fietst
loopt hij naar z’n brievenbus waar
door de sticker geen reclamedrukwerk
op een woensdagmiddagkrantje na
zelden iets te halen valt en dan zet hij
thee en vouwt de ochtendkrant zoals
die bezorgd werd en voert de kippen
met het restant van zijn ontbijt.

no. 63 – jan holtman

Veel heb ik niet bewaard
van wat er achter bleef
op je haar in een speciaal
strikje bijeen gebonden na
en een BH
zo leeg, zo eenzaam van
vlees tot stof geworden.

no. 163 – jan holtman

Terwijl u lag te neuken,
want zo stel ik mij
de liefde voor, kwam
ik klaar met een gedicht

en zag een traan
in uw linker oog

no. 198 – jan holtman

Een gedicht begint met een regel
in die zin vorder ik gestaag

het honderd en achtennegentigste gedicht
zal ook wel weer over jou gaan, maar

veel valt er nu niet meer te verzwijgen.