geen straal van de zon die daar verkeerd valt – elize augustinus

zanderige
vlakte
dorre woestijn

geen straal
van de zon
die daar
verkeerd valt

en geen
vrucht
om te gedijen

nachten vol
sterren
trossen

van zoete
druiven
droom ik

ver weg
van tortels
en schaduwhonden

gehard sap – elize augustinus

Hoe je het ook draait of keert
Het gaat meestal
Niet zoals je het voor ogen hebt

Het beeld valt uit je handen
Je buigt
Raap op
Kom overeind
Met gekromde rug
Je slikt je tranen in

De scheur is niet
Te lijmen met de beste gom
Van bomen stuiken
Uit het nabije oosten.

onzichtbare draden – elize augustinus

poppen in de
pop-pen-kast
zijn gekleed in
fleurige kledij
de rode gordijnen
weggeschoven
dansen ze Voor.
het poppenraam
spreken met Hogen.
hoge stemmetjes
hangen aan
onzichtbare draden

poëzietekening 14/02/2012 acg vianen

poëzietekening 14/02/2012 acg vianen

poëzietekening 14/02/2012 acg vianen

onkenbaar – mark opfer

Dingen moet je vaker ondergaan.
Men noemt dat ouder worden.
Ik zeg rioolpijp
want dingen zie je nooit een tweede keer.
Dit is een leugen.

Geen enkel oor zit zonder antwoord.
Zandwoord.
Bij de haven staan meccano paarden
te wachten op het voer van legoblokken.
Dat is minder kinderachtig dan het lijkt.
Krachtig.
Brugwachters steken hun lans omhoog.
Hier hoeft geen tol betaald.
Althans, niet fysiek.

met of zonder baard – mark opfer

Mijn sleutels thuis laten
omdat ik weet dat ik later terugkom
en dat mensen dat dan zien en denken kanker
en dat is goed

dan je onderdompelen
in de vertrouwdheid van het onvertrouwde
het rondzeilen in de totale appreciatie
de acceptatie
de warmte van een vreemde stad en dat bekend vinden
een gebouw van vijf verdiepingen hoog
en daar in afdalen
de trap af gaan
dan de kelder in gaan
dan een ruimte vinden gevuld met bas
en dans
en zweet
en born slippy
en een dikke man die schreeuwt
en eist en klapt
en dan tequila
en dan dronken
en dan draaien en in je tegengestelde lichaam vallen
de vloer om-
armen grijpen je
en dan omhoog gooien
en dat dan dagen
en dat mensen dat dan zien en denken kanker
en dat is goed
dat is reizen
dat is leven

een nieuwe ochtend – mark opfer

Wakker worden
met brosse zeesponsbenen
en je zorgen maken
en dan verbaast zijn
wanneer je ineens weer naast je bedje staat

honger hebben
en dat negeren
en alleen maar koffie zetten
terwijl je ogen branden
en je bloedhondwangen
alles naar beneden trekken

Er ligt een melkwitte gloed over de wereld
een zilveren reflectie
die de lijnen vervaagt
en alles kilo’s zwaarder maakt

ik voel me kwetsbaar
mijn arme overrijpe zonnebloemen
nutteloos aan mijn lijf

ik ben geen machine
ik ben niet gemaakt als machine
ik ben een zeemeeuw die op de wind wil drijven
en lustig naar de vrouwtjes krijst

volkomen – gerardus

normaal gesproken

en waarom dan wel
zou kut niet kunnen?

immers
het is en blijft

immer
een hoop gekut

&

verder

slap gelul

met soms wat dood

kleuren vol gebroken zon – mark opfer

geen arm gekruisde voorman
geen intentie
tong uit je mond
tong uit je mond

Slechts de lege lichten kijken nog naar buiten
het is een tochtige vermoeidheid die uit je ogen peurt.

Het kan ook dat een hond in veel te kleine kamer
en de voorman blikken touwen trekt.
Waar is het staal dat alles vloeibaar maakt?

Slapen is een werkmansethos.

mijn absurde vriend – mark opfer

Poets! Het amsterdammertje
negeer de regen
en sop het asfalt
tot de olie van de daken druipt
en de lucht weer sleets de wolken toont

vaders woorden – jan holtman

heb de vrouw die je niet hebt, maar lief mijn jongen
want zij zal er altijd zijn, maar spreek niet te veel
over haar, want zij is jouw geheim

jouw kunst en jouw bestaan bestaat bij de gratie
van haar zoete, lieve woorden en van haar kut
waaruit je dagelijks drinkt

de subjectieve criticaster – hanny van alphen

Ik zeg u,
hoed u voor zijn tong
scherper dan de schaar
van een kleermaker
die door loden stoffen glijdt
snijden zijn woorden
uw vers aan flarden
en likt hij zijn lippen vast
voor het volgend commentaar
op het slipje van de meid
of de dwerg in ’t boudoir.

pop voor meisje – hanny van alphen

meisje lacht

ze krijgt een pop
een jongetje
hij ruikt naar rubber
bah, ze maakt een bad

kom pop, uitkleden
benen eraf
kop eraf
armen eraf

meisje peinst

tussen de gele eendjes
drijft een roze kop
en wat benen

pop kan praten
help, meisje, help
kijk, meisje, kijk
ik loop vol water

meisje huilt

pop ontleed maar
meisje kan niet lezen

verstoppertje – bob elias

nooit zal dit wennen
zeggen doktersogen
achter het bureau
het beeldscherm toont
wat de muis
niet wissen kan
op de gang
trekt een stoet cliniclowns
de stijf gesloten deur voorbij
de kalender aan de muur
die een toekomst
op papier plaveit

buiten roept een kind
buut vrij

martelaar – bob elias

je staat op en weet
dit is de dag
heroïsch poets je je tanden
tot verderfwerende spiegels
je reciteert godvrezend
de belofte van een overvloed
aan vrouwelijke gezellen
je kust de kinderen gedag
de knellende gordel
beteugelt je hartslag
je vertrekt hevig zwetend
met je vrouw richting
huishoudbeurs

sportdorp by night – berrie vugts

Voor op straat verstommen late kinderstemmen in
Het donker. Van verderop wordt een ijzig kermen
gedragen om af te sterven tegen onze fletse ramen
 
Het komt vanaf de schaarsverlichte amateurvelden
waarop stoere mannen bleekjes kringen- en samen
drommen rond het verwonderd dier in hun midden
 
Ik sta in de badkamer en stel me bot voor dat door
de huid van een nog jong en beurs scheenbeenheen
uitstekend bloedt. Ik sta verkrampt voor de spiegel
 
En was mijn gezicht maar wordt niet meer wakker
Je fluistert vanuit bed dat ik niets, dat ik niets zeg
De overloop trekt vacuüm de hal begint langzaam
 
Te bewegen. Het dondert in mijn kop. Het dondert
Niet. Je schreeuwt uit bed dat ik je niets meer zeg
Maar ik zwijg niet lief, ik speel mezelf in stilte af.

donker in duplo – hanny van alphen

de man op de bank ziet de man van de bank
hij staat daar achter het raam
naar buiten te turen, en ziet de man op de bank
beiden drinken wat, beiden staren wat
de man in de schoudervulling rookt een spriet
de man in de zwammenjas rookt wiet

het licht gaat uit, de aktetassenman verdwijnt
de man op de bank zwaait
naar de man in de zwarte sedan
opgeslokt door de nacht, blaft er geen hond
naar het rammelen van een winkelwagen

coda voor een eeuwwende – peter wullen

het geheugen
is onbewoond
 
het
 
het daarentegen
 
het is
een man en een vrouw
 
in 2001

coda voor een eeuwwende II – peter wullen

decennium
 
het geheugen
pleegt roofbouw
 
je woeste
zelf opgelegde
selffulling prophecy
breekt tijdelijk
 
haar censored

versnapering – anouk smies

Bij zonsopkomst klom ik
uit klossen garen
en je slapende lach

Ik moest je niet verschuiven
terwijl ik aan de herten in mijn jeugdjaren dacht

Die stonden koud en verstrooid
op een sokkel
als je lijf
in het licht gekwakt

Hoe ik je minutenlang
voor de eerste keer zag

facebookflirt – hans van willigenburg

voor M.V.

Hoe kon je weigeren haar ‘friend’ te worden?
Haar ‘ava’ toonde smeltende ogen, smachtend en onvervuld.

‘Leuk dat ik je vriend ben!’ tikte ze op de chat.
Vooral dat uitroepteken kwam binnen.

Ze hengelde naar iets van jou, de schrijver..
‘Waar doe ik je aan denken? Benieuwd.’

Terstond vlogen je vingers over het toetsenbord.
Je beloofde haar een gedicht.

‘Heb je al wat?’ vroeg ze twee weken later, uit het niets.
Je aaide de kat en twijfelde over de te bestellen pizza.

‘Nee… Maar zeker niet door gebrek aan inspiratie!’
Telefonisch bestelde je de Vesuvio in plaats van de Margarita.

En verheugde je op de olijven en de scherpe salami.
‘Een gesprek op FB is toch niet serieus?’ vroeg zij.

‘Mee eens,’ tikte je terug.’Volledig mee eens.’
Geruisloos verdween ze uit je leven met een laatste

smiley.

kou – tijsterblom

in Al Soewaira zat op straat
een oude vrouw die een hand
bedelend had uitgestrekt
haar huid, wit en gerimpeld,
had de glans van paraffine

ik gaf haar wat papiergeld
en ze keerde mij de ogen toe
die leken wit, zonder pupil
maar het was of ze heel
mijn heden en verleden zag

ze zei iets onverstaanbaars op
een onbegrijpelijke toon
misschien gewoon een dankjewel
ik weet alleen dat het
iets in de naam van Allah was

soms hoor ik nog die vreemde
klanken en haar zachte stem
maar wat ik nooit zal vergeten
is de kou die van haar opsteeg
op die warme dag

impressie van een rijke jeugd II – jan holtman

de zwemwedstrijden op zondagmiddag
en de bus naar Veendam, het gezang
op de achterbank zaten de beste

zwemmers, met sporttassen groot
als gingen we een week op vakantie

impressie van een rijke jeugd III – jan holtman

niet verzuipen en hard zwemmen
mijn vader noemde mij een motorboot

terug naar huis mocht ik altijd voorin
de bus zitten met rode oogjes niet
nat van tranen, maar van chloor

sprankel – b. vogels

woelende woorden delen de lakens
willen zich nestelen
voor ze slaapdronken de mist in gaan
trommelen als slavendrijvers
mijn biologisch ritme overhoop

ik hoop op een nest
meesterlijk gedicht
met taalmateriaal
waarin het koekoeksei kan openbreken

en niets nog de slaap kan vatten

nekhaar – b. vogels

ik zou haar kunnen wurgen
vreemde vingers wriemelen
als rechtstaande haren

nu heeft zij me bij de baard
mijn hoofd bedaart boven haar schort
haar boezem nadert scheerlings
als ze mijn nek bewerkt met scharen

ik buig voorover en klamp me vast
aan de schoot van ergernis

met de hand – b. vogels

ze leefden in een land
van stekelbaarsjes
rode bessen
riet en steen
en alles met de hand

het witte land
van wasgoed
in de wind
van graanjenever
en alles was
in kannen en kruiken

bitter en zoet
als bewaarde liedjes
uit een blikken doos

gevangenis, tempel, kleedkamer – juvu de ruiter

Er is een huis
in  mijn huis zijn kamers; ik noem ze
slaapkamer, badkamer, studeerkamer annex atelier.
Ik had ze ook kunnen noemen:
gevangenis, tempel kleedkamer, dat doe ik niet.
Maar als niemand kijkt trekken zij hun kleren uit en fluisteren in trance:

Gevangenis, tempel, kleedkamer
Gevangenis, tempel, kleedkamer
Gevangenis, tempel, kleedkamer

Er is een vrouw
in de vrouw zijn kamers; ik noem ze
slaapkamer, zitkamer, kantoor annex atelier, kinderkamer, rusthuis.
Ik had ze ook anders kunnen noemen;
gevangenis, tempel kleedkamer,
dat doe ik niet, dat vindt de vrouw niet fijn.
Maar ‘s nachts als niemand kijkt trekken zij
hun kleren uit en dansen vreemde dansen.

Meisje, vrouw, grootmoeder,
priesteres, hoer, heks,
schrijfster, politica èn moeder,
allen lopen zij ’s nachts naakt rond en krakelen hand in hand:

GEVANGENIS, TEMPEL, KLEEDKAMER!
GEVANGENIS, TEMPEL, KLEEDKAMER!
GEVANGENIS, TEMPEL, KLEEDKAMER!

Er is een man
in deze man zijn kamers;
ik noem ze niet ik bekijk ze,
ik behoor hier niet en ruik hier niet.
Dit zijn gebieden waar zintuigen met hun kettingen tegen de muren slaan.
In elke kamer zal er één traan vloeien en soms een lach,
maar eerst moet dat achterlijke interieur uit de kamers gesloopt;
de deuren zal ik omhakken als jonge bomen en de retro bloemetjestafelkleedjes zal ik met mijn tanden uiteenrijgen.
De rotte tanden van de oude heks zullen getrokken en de mondhygiëniste, zij zal haar omtoveren.
De moestuin zoals die van de ouders en de grootouders zal omver gewoeld
aangezien ik mezelf niet gevonden heb ik in de courgette of in de aardbei.
In dit huis zal ik de deuren open laten staan totdat de regen, de vogels,
de wind, de muren zacht hebben gemaakt met mos en
schuwe reeën er zich op hun gemak voelen.
Ook zullen kudden wilde dieren hier drenken en nomaden ja ook zij.
Maar een geweten gedachte, transparant als atoomlicht zal hier
niet langer rusten.

mijn galapagos – juvu de ruiter

Het was wat krap in die peulenschil
vaak hoorde ik een regelmatig bonzen, sneller dan weer langzaam
soms hoorde ik een kermen, een kreet.
Vaak was het rustig; een groene waas dan weer donker.
Ik groeide en groeide totdat het omhulsel openbrak en ik uit hem kroop.
Tegenover mij zat mijn evenbeeld, maar toch niet zoals ik hoopte;
haren had mijn evenbeeld, veel haren en geen heuvels op haar borst.
Tussen haar benen was geen holte, wel een uitstulping,
ik noemde haar Slang.
Als ik Slang streelde werd zij groter, maar meestal zat er niet veel leven in.
’s Nachts droomde ik van slangen die mij vertelden over wijsheid
waarin je duiken kon
een wereld (wijder/)weidser dan mijn idioom
zwiepend zwaard, gespleten sprekend tot mijn ziel.

Waar ik was, was het goed.
Verschillende dieren waren er met platte en scherpe tanden,
Waarom zij tanden hadden kon ik niet begrijpen, kwijlend sliepen zij
in dit rustig oord.
Als ik tegen Slang sprak, zei zij weinig terug
zij groeide als ik haar vasthield dat was dat.
Eén keer spoot er vloeibaar parelmoer uit, geen spitsvondigheden, geen uitweg als de weidsheid/ruimte/vlakte uit mijn droom

Ik was altijd samen met mijn harig evenbeeld,
zij zei dat ik Hij moest zeggen tegen haar.
Hij deed niet veel en ik eigenlijk ook niet.
Als ik naar boven keek groeide er vruchten
Als ik opzij keek stroomde er water.
En Hij was altijd bij me
’s nachts had ik kriebel.
Overdag zei Hij vaak dezelfde dingen.
Als het licht werd zei Hij: er is licht
als het donker werd zei Hij: er is nacht
als het nat werd zei Hij: er is water
als het droog was zei Hij niets.
De dagen gleden voort als melaatse slakken.

Op een dag zei ik tegen Hij:
Ik wil alleen zijn, ga!
Wiegen wilde ik op een groot water
luisteren naar wat het zag op zijn onmetelijk grote huid.
De zee zag veel (en ik dus ook);
dansen wilde ik met onbehaarde evenbeelden
zonder haar en suffe slangen
zilveren, vierkante bergen zien
zonder top en zonder dal.
En toen verliet ook ik mijn Galapagos
Zag dat het goed was.

gestold elixer – juvu de ruiter

Als een lelijke oude vrouw heb je de kinderen vetgemest.
De oudste beschermeling, die van de koning, suste je
gekwelde bloed in slaap:
Jij bent de mooiste, de liefste, de meest attente.
De anderen waren ervoor je te dienen tot in de hoogste kelders.
Diep van binnen bewaarde je een gestold elixer van obsidiaan.
Je sloeg het stuk met duizend hamers, walste het tot gritfijn poeder,
mengde het met limonade, elke dag een beetje.
Ingewanden van hen die jou ontschoten zouden zachtjes bloeden;
nooit zouden ze het thuis herkennen dat zij dweilden