Resultaten voor het trefwoord zwemmen

zuidpoolijs – iniduo

men zegt wel;
laat geen dag, geen avond hetzelfde zijn
zodat ijs verdampt
en het klimaat verandert, hoewel niet voor het leven

de zon doolt rond in onze tuin op het zuiden
waar het niettemin een aantal graden koeler is
zo verkwikkend, dat ik in de vijver met troostvissen
bedlegerige gedachten zie zwemmen

op het liefdevol spiegelende oppervlak
breken wolken traag open tot schaduw
mijn adem dooit gretig in ontvankelijke lucht
en eindeloze slaap kleurt eindelijk vriesdroog

geen dag te vroeg

profetieën over het kind van de zeemeermin – jacob van schaijk

Een zwangere zeemeermin zit op de bovenste trede van een trapleer en bidt een rozenkrans van doodgeboren kinderen. De trapleer heeft toebehoord aan een blinde huisschilder die jong is gestorven aan de vlektyfus. De broer van de blinde huisschilder is ook blind, maar zal sterven aan de gele koorts.

De zwangere zeemeermin wacht op stormvloed. Als die komt, zal haar kind geboren worden. Volgens de profetieën zal het opgroeien tot het kindeke Jezus van de zeven wereldzeeën. De zwangere zeemeermin wil haar kind kruisiging besparen en zal het daarom drie dagen na de geboorte door verwurging om het leven brengen.

De zwangere zeemeermin beweert zwanger te zijn van Poseidon. In werkelijkheid is ze hermafrodiet en heeft het kind bij zichzelf verwekt. Dat ze een erectie heeft, verbaast mij niet.
 
De zwangere zeemeermin weet niet, dat de wereldzeeën zullen droogvallen als zij haar kind om het leven brengt. Mogelijk is echter nog dat deze profetie alleen zou uitkomen als het kind werkelijk van Poseidon was.

Het wordt stormvloed en de erectie van de zwangere zeemeermin verslapt. Het kind wordt geboren en blijkt het syndroom van Down te hebben. Ondanks zijn afkomst kan het niet zwemmen en verdrinkt.

* – juvu de ruiter

Door het donker lopen wij langs de waterkant,
voelen het stuk touw naar het fuik, maar
vinden slechts de voorplecht van een schuit.
Dat water zacht zou zijn,
zwemmen zonder boot en schipper.

Terug bij de weg zien wij mensen rijden met
glimmend zwarte doodskisten op hun dak.

mummificatie in een ijscowagen – delphine lecompte

Een ezeldrijver met droog gangreen aan zijn linkerbeen ligt
Te ijlen in de ijscowagen van wijlen mijn suikeroom
Wijlen mijn suikeroom heeft zichzelf verhangen
Eergisteren op Paasmaandag in de vestiaire van een schelpenmuseum
Een minderjarige trompettist heeft zijn lijk ontdekt.

De minderjarige trompettist was danig onder de indruk
Zodanig dat hij zijn regenjas vergat
In de binnenzak zat nochtans een gouden baviaan
In het oude Egypte zorgt de baviaan voor de longen
Wijlen mijn suikeroom leed aan emfyseem.

Ik ken nog een andere man met emfyseem
Toen hij nog niet kon zwemmen heeft hij eens een huis in brand gestoken
Er was een blonde vrouw thuis toen de brand uitbrak
Ze was druk in de weer met een afstofborstel op zolder
Misschien was die blonde vrouw wel mijn moeder.

Waarschijnlijk was mijn moeder Bosnische bromtollen aan het afstoffen
Terwijl mijn vader en ik een onnodige wafel aan het delen waren op de dijk
Ondertussen beweert de ezeldrijver met droog gangreen aan zijn linkerbeen
Dat hij als zesjarige een kasteel heeft in brand gestoken
Het kasteel was leeg en hij had al een zwembrevet.

De ezeldrijver denkt dat het kasteel leeg was
Hij vergist zich; mijn vader lag er te rouwen naast zijn fret
Toch geniet ik niet echt van het afstervingsproces van zijn linkerbeen.

je zegt, ik zeg – pallas van huizen

Huilen bij de bruiloft,
zwemmen in monopoliegeld,
water, suiker, suikerwater
zoete wraak in eerlijkheid
ik zeg, je zegt
wrang als mijn wereld
niet meer rijmt, niet meer blijft,
zo geschrokken
zonder wijn, zonder tijd,
je zegt, ik zeg
geen geld, geen zorgen,
volmaakt als god en mens
de boekenlegger op je bladzijde
ze vertelt
ik zeg, je zegt,
woorden bewaren
het is echt
je zegt, ik zeg
het is echt
ik zeg, je zegt
je zegt, ik zeg
pak me dan als je kan
het is echt
je zegt, ik zeg
we lopen ermee weg
je zegt, ik zeg
ik zeg, je zegt
je zegt, ik zeg
ja.

magenta – maaike klaster

De weken zijn van steen. Vandaag
ligt Italiaans graniet aan
mijn vingertoppen. Ik sla mijn
vuist erop kapot.

Wat glad was, barst. Het tijdsbeeld
spat tot gruis uiteen, wordt
nacht. Kogelronde, roze
korrels, tollend om hun eigen as,

snellen op een driekwartsmaat
door het gapend zwart. Mijn hart
pompt magma door haar kamers,
geeft zich vloeibaar over zodat

mica kan zwemmen als ionen in bloed,
de stonde bezaaid raakt met gloednieuwe sproeten.

u.f.o. – yvette rombouts

Wanneer komen ze me halen, ik wacht nu al zo lang.
Lichtjaren verwijderd, lichtjaren onbegrepen.
Red mij uit deze vreemde wereld.
Ik ben nog niet herkend, maar iedere dag kan het gebeuren.

Goed vermomd, lijkt niks menselijks mij vreemd.
Behalve dan het menselijk zijn.

Lichtflitsen, herrie makende chaos.
Dit kan niet, mag niet mijn wereld zijn.
Willekeurige rampen, nutteloos leed.

Ik kan niet in even diep water zwemmen als zij, mensen.
Maar ik blijf nog drijven, druk watertrappelend, dat wel.
‘Kom me halen’, roep ik naar boven’.
Eerdaags gaat het gebeuren.

1992 – maaike klaster

De basslijn van Come As You Are stroomt mijn slaapkamer binnen
zoals de zon door de half geopende luxaflex, waardoor mijn muur in
licht en schaduwstrepen is gehuld, een muziekbalk in de middag toont.
Buiten hangt mijn moeder de schone was op aan de waslijn in de tuin,
spelen kinderen zoals ik zelf een paar jaar eerder deed.
Kurt Cobain vertelt zijn melodie vanuit Seattle, maar klinkt voor mij
meer als LA, als zee, want dit is een lied dat is als water waar ik in
kan zwemmen, van het ene schooljaar naar het volgende, dwars door een
hete zomervakantie heen. Hij neemt ons mee, een complete generatie aan cassettebandjesluisteraars die zo hun c.d.’s met elkaar delen. Het mijne
nam ik over van een klasgenoot die mij ook Guns N’ Roses leende.

Ik ben binnen en midden in de wereld, zing neuriënd of luidkeels mee
– wie weet het? – terwijl buiten vogels fluiten, rozenstruiken bloeien,
de zomer ons alles geeft. Ik ben zestien en nooit alleen.

oma’s ogen – martin m aart de jong

op het graf van mijn oma ruist de wind
papieren dromen op ze fluisteren over
stille kracht en hoe je door de kampong
liep om te gaan zwemmen in de kali

en in bomen klom je deed alles
wat niet mocht alleen maar ja
je deed het toch passeerde
tijd en hoe de meester zei

op school wanneer je iets niet
wist oh jij garnalenkop
z’n gezicht kwam heel dicht
bij je. Ik weet nog hoe je levend
was je ogen vol verwachting om
wat was geweest stond je je

blijdschap uit te stralen
schaterend soms en hoe ik
begrijpend knikte zweeg
het verhaal al in mijn hoofd
vermalend en nog niet wist
hoe alles op te schrijven
ik dacht dat het zolang
geleden was het was alsof

de aarde was ontstaan
en jij en opa toen
de eerste mensen waren.