Resultaten voor het trefwoord zoemen

zimmer frei – lammert voos

in duister rivierlandschap wiegt
de Judasboom en snateren zwaarmoedig
eenden, slapen zij tussen rozen in stekels
en dromen zich luchtiger vogels, beroeren
elkanders lippen, zoet als perzik

graaien met gretige vingers muskus
en paddenstoelen, geuren muf en aarde en
het Pruisisch blauw takkengordijn valt,
tikt heden gestadig naar geschiedenis

wassen zij morgen de zwarte lijken,
helderrood bloed van de wanden met
allesreiniger die in de aanbieding was,
uiteraard met schuursponsjes en
huishoudhandschoenen aan

zoemen mietsen rond hun hoofd,
de horren, the horror!

op het terras – berrie vugts

In mijn hoofd razen onafgebroken zinnen voort.
Een bij pleegt insecticide in mijn glas.

Gekte klopt aan mijn deur, ik, beleefd, doe open
Leidt me een zaal in voor een zoemend tribunaal

Ze zoemen maar wat? Iets over mijn glas…

Het gonst aan de flanken, op de achterbanken,

Nee, het was niet eerst de hand, was eerst het viltje,
breed en rond: precies het glas.

Het dak opent, de lucht drukt mij aan, drukt mij aan,
aanvankelijk neer.

De koningin wiegt zachtjes haar vleugels heen en weer.
Landt, blaast voorzichtig toeschouwers tegen de wand.

Er is nu alleen nog het trillen van haar vleugels achter glas
Achter vleugelachtig glas

Ze balanceert haar puntig achterlijf op mijn buik
Ze slaat haar poten om mijn keel.

wesp – richard kamsteeg

Zij vliegt nonchalant en soeverein
mijn zelfverklaarde luchtruim in,
blijft hangen in de tijd.
Een zwart en gele wentelwiek
met haast geruisloos zoemen,
vooruit schieten, remmen,
wenden, willekeur, weer hangen,
landen en verkennen.
Dan proeven, take off,
rondje om mijn hoofd:
spanning wordt angst,
een handgebaar weert voorzichtig af
wat geen bedreiging is
en even nonchalant en soeverein
weer gaat.