Resultaten voor het trefwoord wijsvinger

verschrikkelijk hart – c.p. vincentius

Het orgaan trilt, recht uit de borst gegrepen,
spontaan en vol emotie in de groep.

Wijd vertakt grijpen zintuigen en ledematen
naar ieders aandacht en medelijden.

Koppen blikken stil en fluisteren: ‘Schaamte
heeft het mens het nog niet geleerd.’

Haar wijsvinger en stem wijzen en dicteren;
wie niet met haar is, kan zich bergen.

Zij stoot en botst, butst opdoffer na opdoffer
en schramt al doende tot slachtoffer.

gedicht – karin beumkes

Jij zegt dat je
en begint met
God dit is zo
waarom moeilijk

Jij antwoordt dat je
en eindigt tot
maximale capaciteit

Jij schreeuwt dat je
en begint waarom
slaapt ze met
handjes op de teddybeer
haar duim en wijsvinger
doen een spinnenweb na

zeven seizoenen geleden
schreef ze God
het komt terug.

bouwkunst – hans mellendijk

‘Ik heb mijn onderwijs genoten in een Gerrit Rietveld.’
klonk het innemend, ruimtescheppend uit haar mond.
Kousenbenen, suggestief zwevend boven de grond,
flirtend, rood, blauw, geel. Puur primair geweld.

‘Ik heb mijn bouwmeester ontmoet in een Frank Lloyd Wright.
Daar bij die waterval. Horizontalen in het prairiegras.’
Woord op woord bouwend, drinkend uit haar Bauhausglas,
terwijl ze met haar wijsvinger spiralend door haar kapsel aait.

‘We verloofden ons in een Mies van der Rohe.
Kolomvrije wijdte, wat een licht en ruimte!
Met een glad glijdende ring overviel hij me.
Een dof zilveren ding, heel kies. Wat ’n mooie.’

‘We trouwden in een Willem Marinus Dudok.
Het best van alles, van beide niet genoeg.
Veel geluk en voorspoed. Lente voor de boeg.
Sneeuwstormend jawoord, ‘n kristallen kus op vlok.’

Ze nestelden zich in een Pieter Blom.
Weldra paaldansend verhouding gekeerd.
Uit het lood, ‘t maken van nesten verleerd.
Instortende nieuwbouw als hij haar beklom.

Ze ging werken in een Renzo Piano.
Uitgewoond, in volle vaart het leven tegemoet stevenend.
In één blik, ’n open kaart, de liefde welgemoed en bevend,
zinnend op ‘n volgende ronde Mikado.

‘Verder’…, fluisterde je me, op het late uur,
– het Hooglied dat je zong toen;
gulden snede en tongzoen –
‘heb ik echt werkelijk niks, met architectuur.’

no go – fjodor slegowski

no go
noorse zeelieden noodkerk
dat schijnt over de hele wereld
fenomeen te zijn
zo ook loods 22 op nomadeneiland
christus vaag op achterwand
no go area
opslag voor cacao
deportatie-doorgangshuis
nazi razziaslachtoffers
ophaal overwonnenen van geallieerden
meisjes in bedampte auto’s
hun shot voor het werk
witte figuren onherkenbaar door de verte
lopen in eindeloze rij
op vier meter afstand van elkaar
de noren
de heroïnehoertjes
hun pooiers
arbeiders
de uit hun huis gehaalden
van in en na de oorlog
op een rij voorbij
voorbij
voorbij
voor mij
een rij gevangenen
juist ja eindeloos witte figuren
witte figuren in een kring
voorlangs en achterlangs

’t blijken er maar vijf
in een zeer vicieuze cirkel
totdat het loket
waarlangs zij moeten ter controle
omvalt
de zakken met cacao sjouwen
in blauw licht
omgooien
een echoënde knal
weergalmt door de hal
:
examenzaal
zitten de zwoegers diagonaal
schuren hun stress
van zich af
voor zich uit
knallen zichzelf voor hun kop
had je maar beter moeten
leren beter lezen
of is het toch bureaucratie
pak uw tafel op en wandel
achteruit naar achteren
aarzelend wegwezen
verdwijnen tussen pilaren
met tafel en al
beproeving over
alleen is de loketman
staand naast zijn liggend hok
hij draait zijn 2 meter om en loopt
88 meter recht naar achter
opgewacht door twee witte wachters
opgevangen
tussen hen in
op een stoel gezet
frontaal totaal omgedraaid
88 meter overgestoken vlakte voor zich
een veroordeelde
of minstens verdachte
christus vaag op achterwand
geeft rugdekking
achterin noorse noodkathedraal
lang laag
helemaal
tussen duim en wijsvinger
bidden kan altijd nog

de toerist met kogels uit zijn wijsvinger – olaf van muijden

Een marktkraam op een plein vol stof,
een rochelende man op een plein vol stof,

oh, ja en een cementmolen
– hij draagt mijn naam,
hij draagt mijn stropdas,
hij draagt mijn graf –

in het dorp van leem.
Tegen voorbijgangers vertelt hij fabels
over rooksignalen, om geld vragend
en superhelden met gereedschapskisten.

Een vrouw met inktgezichten
herkent de omheining, die ik timmerde
uit halfaangehoorde bedes

en ook zij legt bloemen
en ook zij wast mij schoon
en ook zij zegt: “Slaap maar, mijn jong!”