de ankerwacht keert zich om
het schip draait stuurloos mee
onmerkbaar
de wind is koud, snijdt
hem de pas af, binnen wachten
klamme lakens
op dit geruisloos ogenblik
de aflossing nabij
nog afwezig
wikt het anker, wrikt
zich langzaam los
de ankerwacht keert zich om
het schip draait stuurloos mee
onmerkbaar
de wind is koud, snijdt
hem de pas af, binnen wachten
klamme lakens
op dit geruisloos ogenblik
de aflossing nabij
nog afwezig
wikt het anker, wrikt
zich langzaam los
Nestwarme argwaan is nabij. In dit kale schrale midden van
de oostkust hunner Mare Nostrum aanhoort hij koren waarvan
niets hem kent. Hij vermoedt het ogenblik dat er geen splinters
meer in zingen haken, er liederen op komst zijn als meisjeszachte
lendenen, die barmhartige treden zullen bestijgen. Maar buiten,
waar ezels rond gaan over de gerst, besluiten mannen met loden
verledens te denken in bijlen. Hamerslagen weergalmen. Van
terechtstellingen met publiek moet hij eigenlijk niets weten.
“Waar moet ik vandaag op letten, schrijver?”, vraagt hij. “Hoe
ging Valerius Gratus hier mee om?” Niet cirkelt zich om wanhoop
vreugde. Er zijn nog volop leugens te betwisten. Gepeupel juicht,
hogepriesters grijnzen. Al is hij dan niet meer dan een passant,
geschreven blijft wat hij geschreven heeft. “Alles komt voor wie
rustig wachten kan,” peinst Pontius Pilatus als hij zijn handen
sprak zij zacht
ik ga nu maar
het opvanghuis
wacht
ik laat niets achter
en geef lucht en licht
door aan hen die nog
wachten voor de poort
langzaamaan verdwijnt
mijn naam in de grond
van iemands hart
ik blijf weg
tot de laatste
strofe toegedekt wordt
trek mij nu terug
achter mijn verzen
ooit gedrukt
om lief te hebben
ik blijf voor altijd verliefd
op jou
omdat het onverstandig is
en verstand is
waar ik zo graag los van wil
opeens woon jij daar
waar ik fiets
om de hoek
omdat ik dat wil
voel ik de wind
door mijn huid
pakt me vast
van binnen
waar jij zit te wachten
mijn lichaam geef ik je
en ik zal me
tegen de muur laten zetten
mijn zweet plakken tegen het behang
omdat ik het kan
voor altijd verliefd zijn
omdat jij niemand bent
jij bent mij
en ik ben toch al vrij
al lang
mijn lichaam
niet gevangen in verlangen,
in dat wat nooit werkelijk zal zijn
hoef jij nooit meer verboden,
verbannen uit mijn lijf
omdat ik
alles voel
zoals het ruikt
woeste kriebel
mag ik pakken,
plakken in verlangen
kreunend tegen de muur
in een eeuwige ontlading
trekken al mijn zintuigen tezamen
door het verleden naar het nu
zit jij binnenin te schoppen
dat je nooit naar buiten mocht
en begint de wind te schreeuwen dat jij
mag weten
dat je bij me blijft
Vandaag schrijf ik over niets
bijzonders. Er is niets dat
om woorden vraagt.
Er is niemand die om zinnen
verlegen zit te wachten.
Niemand behalve ik.
En die ander.
Die ander die mij zal vinden in
woorden die langzaam ver
vormen tot triestheid.
En bestaan.
Het is niets.
Niets dat woorden draagt.
Ik hervind mijn voorkeur voor bandeloos blauw
maar vrees te overdrijven als die mooiweerwolken
boven de straat die ik nog nauwelijks ken doch
waar ik een zelfgeschapen thuis verwacht, ooit.
Straks ga ik kamperen op zee, zegt het kind met
de schelste stem van dit schakelklasje tegen
niemand in het bijzonder en tekent dan verder
terwijl ik me door de vroegzomerse dag ploeg
zoals de landbouwers die mijn voorouders waren
zwoegden op hun akkers. Ik verlang naar dat huis
waar eens alles neergelegd zal worden, waar eens
elke last zal verdwijnen in de luwte van augustus.
ik damp mijn adem tegen het raam
en kijk door de waas van verwachting
of ik je al zie
het donker is net zo ongeduldig
als ik
en heeft de stad gegijzeld
zoals ik mezelf
door te wachten op jou
ik wacht al dagen
– is dat um? –
de geluiden
– o, nee toch niet –
gaan op in andere geluiden
Recente reacties