Resultaten voor het trefwoord vogels

zimmer frei – lammert voos

in duister rivierlandschap wiegt
de Judasboom en snateren zwaarmoedig
eenden, slapen zij tussen rozen in stekels
en dromen zich luchtiger vogels, beroeren
elkanders lippen, zoet als perzik

graaien met gretige vingers muskus
en paddenstoelen, geuren muf en aarde en
het Pruisisch blauw takkengordijn valt,
tikt heden gestadig naar geschiedenis

wassen zij morgen de zwarte lijken,
helderrood bloed van de wanden met
allesreiniger die in de aanbieding was,
uiteraard met schuursponsjes en
huishoudhandschoenen aan

zoemen mietsen rond hun hoofd,
de horren, the horror!

vissen en vader – hanny van alphen

Het kleine joch schopt steentjes
voor zich uit fluitend op zijn vingers
verschrikt hij vogels aan de waterkant
waar hij de vissen voert, azend

op grote vangst, ’t liefst een karper
of dezelfde snoek, die hij met vader ving
hij zou ‘m herkennen, die blinde vlek
en de ring van vuur achter zijn angst

in zijn handen ligt vaders favoriet
de geschubde strakblauwe blinker
het staartje rood, legt hij behoedzaam
terug in zijn vak, vandaag geen dood

tempelkinderen – hanny van alphen

in het stokoude tempelbos wonen vreemde wezens
ze eten schedelmos en dragen gevlochten baarden
sloffen van kringloopbladeren en aan een biezen band
slingert een hardstenen amulet van de albatros

de vrouwen zijn er rondborstig en aanbidden aqua
hun watergodin die opstijgt uit een grijsgroene wolk
boven het borrelend zwavelmeer tussen de rotsen
van het stormgebergte waar westenwind nog immer zingt

over vogels die kinderen droegen naar hun nesten
in het kreupelgebied waar vrouwenharen en veren
werden verweven tot een samenzweerderig verbond

tussen de albatros en alle broedende vrouwen
die vogelkinderhandjes vulden met zilverwit zand
zodat zij in dit nevelland overleven zouden

voor filip – walmzand

welhaast een Sisyfus
   opboksend tegen investituur,
   diepe dalen en maar kleine heuveltjes,
   orerend de longen uit je lijf
   zo sta je daar dan, alleen
   maar niet verlaten of
   vergeten

vogels vliegen; ik weet
   dat jij ze ook ziet
   wind streelt; ik weet
   dat jij hem ook voelt

het gunnen is een gepasseerd station
   je hebt recht op!

“Let the birds in the sky be my sword”

opmerkzaamheid – elize augustinus

de bal rolt:
de dag zwart wit aan onze voeten

we schoppen er tegenaan, of we rapen hem op

we zien vogels: vogels die te pletter
vliegen tegen glas, krassen woorden

open die blijven hangen: aan de galg een gouden strop

beeld – bennie spekken

meisje kijkt
de ogen groot

het groen wuift
strakblauw
overspannen

twee vogels
vliegen op
het scherm

daarbuiten
loopt een man

het licht uit
een lantarenpaal

ongezien
op afstand
bediend

gelijk heeft hij – filip couck

hij heeft een stuk of wat vingers
die niet echt meer meewillen
net als zijn geest die weigert
slaaf te zijn van zijn tijd

retorisch talent genoeg
om psychiaters te overtuigen
van zijn eerlijkheid
hij meent niet te kunnen werken

toch hier niet,
zeker zo niet

hij zoekt rust
‘s zomers in een psychiatrisch centrum
en na de eerste vorst
slaat hij zijn vleugels uit,
volgt de vogels
en reist nog verder door
naar zijn geliefde
India,
zijn bron van geluk

velen noemen hem parasiet,
weinigen zien wat hij echt is:

klokkenluider.

eenzaamheid – walmzand

ik wil de beschrijver van de eenzaamheid zijn
van de onontgonnen gronden
van het oerbos
van de rotswoestijn
van de zandvlakten
van de tot chaos vervallen mensheid
waar geen plaats is voor gevoelens
liefde, haat, twist
waar geen plaats is voor
jou en mij
waar daarentegen stilte is
de wind ruist
de golven slaan
het water kabbelt
en alle verdriet
reeds vergoten is
in de rotsen verzwegen
en op de tonen van de vogels
niet meer bezongen
wordt en werd

op die hoogvlakte
ver van
wil ik zijn,
toebehoren
het pad er naar toe
slechts aan enkelen bekend
voor mij geopenbaard
ik wil het opgaan,

er rest mij niets anders

het einde – bart pinnoo

Ongemerkt verdwijnt de reiziger achter de poolcirkel.
De vrees voor wat er achter zijn laatste adem schuilt
vermengt zich met de nevel over de fatale kloven.

De ijswind stuift poederijs achter de kap voor zijn gezicht.
De fijne kristallen op zijn wimpers frissen met prismatisch
geflonker even de herinnering aan de regenboog op.

Omdat in deze winter een kleurenpalet ontbreekt
kunnen er geen plannen meer gemaakt worden
en is het onmogelijk in een nieuwe lente te geloven.

Zijn zorgen gaan verdwijnen met het dovende noorderlicht
maar zijn bevroren waarnemingen vol liefde en blijdschap
zullen leven in de streling onder de vleugels van alle vogels.