Resultaten voor het trefwoord vogel

zomeravond – august tholen

Van volstrekte koude naar een
avond in de zomer. De zon
zwenkt en dooft de ruimten
tussen de gebeurtenissen,

daar waar niemand is,
of ik, maar nauwelijks dan.

Ik hoor het ruisen van sparren
maar geloof ze niet. Leugens-
allemaal leugens. En toch, wat
een fraaie onwaarheid.
 
 
II
 
Dit: het zitten in een tuin op een
zomeravond, en een oorlog
horen komen overruisen
als een zwarte vogel.

Dan het paniekgevoel
beheersend om het gesprek,
deze schijnbare vredigheid
voort te zetten.

requiem voor een vogel – b. vogels

vandaag heb ik een vogel gezien
met opgeheven kop
de tegenwind stond schrap

ik heb mensen getrotseerd
op de dansvloer van de storm
ben ik blijven buigen

op een dag zuig ik
stenen uit hun geraas
blaas de deur uit van gebral

en ga slapen met de élégance
van een zwarte vogel in het licht

Pacifist

Alweer zo’n vogel die het uitsterven bedreigt.

C.P. Vincentius

opdoemen – martin b

haar adem mist

morgen trekt
de buitengesloten vogel
zijn strot open

maakt de maan
weer voor niks plaats

en sta ik dom te shaken
samen met wat
ineengedoken wolken

in mijn handen

aroma van een dwaas – b. vogels

het speelveld in mijn lege hoofd
ligt bloot
bezaaid met wilde rozen

uitdagend als papaver
verdoofd door open monden

het rood in mijn blik
steekt mijn ogen uit
tastbaar als een klap van geuren

zo wals ik door de kleuren
van een wulpse weide
opgetild

in de stilte
van een verloren vogel

open brain – pallas van huizen

Metronoom,
tellen en niet tellen, stilte en door,
achterovergeleund, steunend op twee vingers, dat,
dat wat je weet, beginnen met buigen, vinden
in drinkbouillon iets anders te zien.
De stand van de maan bijvoorbeeld.

De zoutspiegel dezelfde, deze woorden
een rimpel die altijd blijft
als een gevangen vogel
op een nog niet eens halfvolgeschreven blad.

In stilte wacht zij op antwoord.
De planten vrijen niet, ze fluisteren mee,
weer een lente.

Nemen, nemen en afscheid nemen, door twee delen
en er verder niet meer over praten.

Mijn maag draait nog een keer een rondje om.

million dollar baby – jacob van schaijk

als je een keer in je leven
al was het maar even
een vogel bent geweest
een vlinder of een bij
een teddybeer desnoods
een schuiftrompet of altviool

hebt geklonken als de misthoorn
van een passerend schip
de kreet van een zinkend gevaarte
een nachtegaal of schorre kraai
als brekend ijs onder de schaatsen
van een oude man of kind

smaak moest geven als
roestig ijzer van een brug
een smeltend ijsje in de zon
een net geplukte braam
of aardbei uit de eigen tuin
een vleugje schimmel

en als je dagen bent geweest
waarop sneeuw viel terwijl
de wegen zinderden in de zon
je niet kon zeggen of het dag was
of dat het holst van de nacht
eeuwig duurde

dan, en enkel dan, als je
het allemaal hebt ervaren
en nog veel meer, valt niet
volledig uit te sluiten dat je
kunt begrijpen waarom dit
alles is wat ze nog vraagt

naissance – joost de jonge

Edelmoedig gesternte in een duister bekken
Ik zag ’t vanaf de grond als één van jullie valt
Zal er al fonkelend het zieleheil vertrekken
Aarde beroert door Phoebus’ kinderen groot in getal
Wie verlangt zijn schijnsel het zal hem zacht bedekken
Door Inca’s getreden gouden regen zijn vazal
Wasdom van oerlicht het is één en al spetter’nd vuur
Regenboogkleuren in mij gewekt door de natuur

De vogel zag de aarde golven van bloeiend groen

Ik zie hem altijd als hij met de zon vrijt
Hij draagt wolken als gewaad
Door de wind uiteengedreven alsof hij ogen openslaat

Een gedachte ontsnapte mij voor ik hem kon snappen
Gelijk wind en bomen niet weten
Wie tot wie is gekomen
Zichzelf vergeten

Druppels lenteregen parelen
Op roze bloemblaadjes
Die afsteken tegen een grijze lucht
Door trillende bladeren omgeven

De vogel zag de aarde golven van bloeiend groen

Mist hing boven land te wachten op het ochtendlicht
Het lijkt mij mooi met de mist te drijven als microscopische bootjes
Stijgen hoog in de lucht
Hier zijn duizenden gezichten omgeven door stralend licht
Ik zweef zie mijzelf staan
Hoog boven de eindeloze oceaan

Edelmoedig gesternte in een duister bekken
Ik zag ’t vanaf de grond als één van jullie valt
Zal er al fonkelend het zieleheil vertrekken
Aarde beroert door Phoebus’ kinderen groot in getal
Wie verlangt zijn schijnsel het zal hem zacht bedekken
Door Inca’s getreden gouden regen zijn vazal
Wasdom van oerlicht het is één en al spetter’nd vuur
Regenboogkleuren in mij gewekt door de natuur

dode vogel – b. vogels

zijn stad is van marmer maar doof
hij eet wat hij nooit hoorde
alleen zingen de smaken vals

hij is armer dan een mus
die in een gouden veld
zichzelf te luisteren legt
en op de ladder van het lied
de leeuweriken hemel ziet

voor de onbekende vogel – b. vogels

Vogels.
Geen land is er vrij van.
Dat siert de lucht.

We hebben ze in de hand.
Gekortwiekt, gekooid,
met hagel bedonderd,
hun vlucht verstoord.
Vermeld onder wild.

Vrij zijn is van de mens.
Geen vogel die daar aan tilt.