Resultaten voor het trefwoord vier

darten – jelou

zo uit de losse pols
gooi ik je leeftijd mis

achttien en vier
zijn iets te laat geboren
en mocht mijn laatste pijl
midden in de roos
dan moet ik naar de kringloop
op zoek naar een rollator

ik tracht de laatste worp
te richten op de twintig

mijn pijl stevig gevat
het doel helder voor ogen
gooi ik met vaste hand
een triple negentien

de score onverbiddelijk:
je kon mijn vader zijn

van mij – adriana kingma

Met mijn ogen dicht
en mijn vingers in mijn oren
loop ik de drukke weg op.

Als ik ongedeerd de hoek omsla
staan er honderd bloemen
hard te roepen in de tuin.

Niemand weet dat ze daar groeien
omdat er in de grond
wel vier konijnen liggen.

Daar bij dat huis
waar nu vreemden wonen.

De vloeren zijn er aangestampt
met mijn eerste stappen

En boven ruik je mijn dromen nog.
Ook al hebben ze alles wit geverfd.

roodborstje – joost de jonge

Vleugelslag flikkert tussen de takken
Licht aangeraakt door onzichtb’re handen
In een boom zitten er wel een stuk of vier
Verspreid vormen zij mooie verbanden

afzetter – roop

in het zog van mestpraam voorwaerts
krimpt de stad tot horizon
het land schreeuwt om zijn stront

schipper kakelbont fluit liedjes
van het bomen en de lage mist
ze dragen ver waar verder
niets en niemand is

met vier tanden schept hij
zijn lading door de losse grond
om naar af terug te keren
het is gedaan en nu
moet het verteren

dagboek nieuw leven – dani nacca

Dag een:
pan gekregen.

Dag twee:
schimmel.

Dag drie:
pan gekocht.

Dag vier:
doorgeslapen.

Dag vijf:
neus gebroken.

Dag zes:
verlaten.
Dag zeven ben ik vergeten.

van de straat in de goot. – brigje otterloo

Ik vond een brief vandaag op straat
hij was door jou geschreven maar
aan een ander die ik graag had willen
delen in vier stukken zoals vroeger

in de middeleeuwen. Je schreef haar
dat ze mooier was dan ik, dat ze liever
was, haar blik je smelten deed als ijs
en dat je haar nooit zou verlaten. Ik

besefte dat ik haat verwarde met
hiaten. Dat ik alles wilde laten gaan
behalve jou. Je schreef me ooit

brieven waarin je trouw beloofde
dat je niemand liever vond dan
mij. Was ik dan zo mooi als zij?

* – maaike klaster

Nu ik het hem vergeven heb, de klootzak,
kan ik hem rustig in zijn eigen Sop gaar laten koken,
waar hij op zoek mag naar zijn eigen Goddelijke Gratie,
kan ik voor het eerst zien wat een onvrijwillige ontmoeting
van misschien tien minuten met de rest van mijn leven heeft gedaan,
hoe ik van een nog enigzins blije kleuter – anderen waren hem voorgegaan –
in een zwart blad veranderde dat hij aan stukken had gescheurd,
hoe ik mijzelf nu nergens terugvond, met monotone stem
tegen mijn moeder zei dat ik het niet leuk vond om dood de gaan,
maar het ook niet leuk vond om te leven, wat niets anders was dan
zeggen dat ik vier jaar oud was en zojuist de hel op aarde had gezien.

Nu ik de afstand van volwassenheid heb verworven, kan ik van buitenaf
naar binnen kijken en zien dat ik mijn hele leven vanaf dat moment
steeds dezelfde twee vragen heb gesteld:

Waarom hebben mensen dit met mij gedaan?
Waarom hebben mensen dit met mij gedaan?

een varken heeft vier voeten – b. vogels

verwijt me geen sprookjes
van een jaar vol reuzendagen

de wereld wens ik een hoofd
boven water

de armen een keuken
met duizend en één smaken
de zoekers een kudde liefde
met een uitverkoren schaap
wollen dagen zonder knopen
de drukte van een sterrennacht

de dichters bruisende penselen
de kinderen een joelende morgen
met een hele lange snuit

wie zoekt zal vinden – elize augustinus

Ze zal niet
vergeten hoe het begon
dit hurkend zoeken
in ’t veld vol klavers

een schat vergaard,
het groene klaverkruis
in ’t leergebonden
boek bewaard.

Voor later.

“Zei pappa, of was ’t mamma?”
(‘k was vier en weet ’t zo goed niet meer)
Zeewier zilte pier

dit bleke strand
muziek ruist in schelpen waait

een mateloos ogenblik
de duif in haar vingers fladdert
rust in een blauwe wolk boven zee

’t Woord kleur bekent.

februari – ad van schijndel

Oh zalige maand van vier keer zeven dagen,
waar in het begin het einde mij al roept,
waardoor de snelheid van de winter floept
en Valentijnse rozen vele harten plagen,

je hebt mijn plichten heerlijk ingekort,
en als er aan mijn werk een uurtje schort,
zeg ik mijn baas: ’t Is nu februari:
wie zeurt van langer tijd, verkoopt slechts larie.

Toch grijp en kleun jij mij ook mis,
want als de eerste dag vol liefde is
en ik me aan een ander wil verwarmen,

dan trekken krampen door mijn darmen,
want wat een maand zou mogen duren,
heb jij verkort met zeker zeventig uren.