de moeders klagen
hun kroost brokkelt af
zij hebben niet beseft
stervenden te baren
de kinderen spelen
hun vlees vergaat
van dood geen weet
wie niet bezig is
geboren te worden
is bezig dood te gaan
de moeders klagen
hun kroost brokkelt af
zij hebben niet beseft
stervenden te baren
de kinderen spelen
hun vlees vergaat
van dood geen weet
wie niet bezig is
geboren te worden
is bezig dood te gaan
Er ligt een kunstgebit op tafel
op het dressoir een scheve lamp
aan de muur een stille klok
een spannende dichte deur
Een korset over de leuning
ademt de vredige rust
van het voorbije moment
scherven op het aanrecht
Een koekje is onaangeraakt
de kosmos in een hokje
aangevuurd door waxinelicht
verpakt in flikkerend behang
Een krans aan het venster
een vaas, een vergeelde ansicht
een uitzicht, twee matte ogen.
Elk gezicht een belofte, een ansichtkaart
een foto van het kleinste stukje van het
grootste land, een deur naar een gang naar
een huis waar de wind ver
achter geplooide gordijnen raast.
Een huis uit rommelige kamers, souvenirs uit
landen vol paspoortstempels, een geel doekje
hangt uitgeput om de hals van een kraan
houten planken krommen zich krakend een
trap naar een kamer met een raam en het kleinste venster
op het grootste landschap.
Eens kijken wat de wind zoal doet.
Het klokje tikte zachtjes
Tegen het raam van de poƫet
Deze liet het klokje binnen
Sloot het raam en probeerde
De pen weer op te pakken
Maar toen hij net weer was gaan zitten
Tikte er een tweede klokje
Tegen het raam
De dichter deed weer open
Liet het klokje binnen
En sloot het venster
Er kwamen steeds meer klokjes
Een derde, een veertiende, een achtenzeventigste,
Elke paar tellen tikte er een klok
De dichter bleef steevast zijn raam openen
En dat is alzo gebleven tot op dezen dag.
Recente reacties