niet verzuipen en hard zwemmen
mijn vader noemde mij een motorboot
terug naar huis mocht ik altijd voorin
de bus zitten met rode oogjes niet
nat van tranen, maar van chloor
niet verzuipen en hard zwemmen
mijn vader noemde mij een motorboot
terug naar huis mocht ik altijd voorin
de bus zitten met rode oogjes niet
nat van tranen, maar van chloor
Hoorde ik het goed?
Sprak je over alleen staan in de piste?
Niemand is alleen.
We worden met elkaar gekluisterd.
Mijn tranen zullen achter jouw oogleden branden.
Het hoongelach schrijft krassen in je ziel.
Een angstig opgejaagd dier.
Daar wapperde het rood wit blauw.
Een vlag gedompeld in rouw.
Waar de wind geboren.
In ’t hemelblauw zal gloren.
Wij zullen zwijgen.
Waar hoge koppen nijgen.
Hoe hij zich over mijn gedicht boog
de woorden van mijn karkas scheurde
rücksichtsloos zette hij zoute tanden
in gekronkel en trok mijn kleed in repen
vol als hij was van dienstbaarheid en zie
Daar stond ik als een nat katje te trillen
liet hem zijn neus in mijn buik drukken
ik wou al op de grond vallen, mij in de jus
van zijn schande rollen maar hij wees me
aan het werk, beter moest het, scherper
Vooruit! ik stak er het mes in, fileerde,
herschikte, vlocht zinnen, vloekte tranen,
spon een dicht uit vocht en ik kraaide
alles om op zijn fiat te dansen, hel,
wat pasten zijn touwtjes mij goed
lacht of schreeuwt een meeuw
of ligt dat aan de omstandigheden
waaronder wij verkeren
spataders onder een badpak
een vader die een vlieger oplaat
en valt, een kind in tranen
een ijsco smeltend
in het warme zand
Schrijven is schrappen in je geheugen dacht ik
en er waren dagen dat ik schreef tot mijn hoofd zo leeg was
als onze jonge longen toen we geen fietspomp vonden
en we onze lippen dan maar om beurten aan het ventiel
van het opblaasbare zwembad zetten dat moeder
op de gloeiend hete geasfalteerde oprit plaatste
en we blaasden tot het ons zwart werd voor de ogen
terwijl Freddy Maertens in een verduisterde living
de derde etappe van de Tour won
of als die verdomde regenput
je mist geen treinen. Je veegt de slaap uit je gezicht,
maar mist geen treinen. Waar deze trein naar toe
mag gaan dat weet je niet. Je kent de namen,
de gezichten niet van mensen om je heen je ziet
geen tranen. Het is een vreemde treincoupé
het lijkt zo wel alsof ze vee hier hebben laten
slapen. Waar deze trein naar toe mag gaan
dat weet je niet. Je kunt het vragen, maar
dat durf je niet. Je denkt aan hoe je wakker
werd vannacht, je lag te slapen. Er werd niet
eens eerst aangebeld, er werd geschreeuwd
en met geweld werd je je met je moeder,
vader en je zus een auto ingeladen. Waar
deze trein naar toe mag gaan dat weet je niet.
Niemand heeft de kaartjes, of vertelt je iets.
de dartele broeders
betreden het veld
het gras ontdooit
de uitgeharde stemmen
de speaker spuwt
bloed zweet en tranen
waarom wordt het geduld
zo op de proef gesteld?
Er zijn van die dagen die beginnen met een vleugje en er zijn
van die dagen die beginnen met een stortvloed. Vandaag begon.
Opnieuw.
Er zijn van die dagen die beginnen met wat tranen, alvast voor onderweg.
Het ruisen van de bomen overstemt de rijksweg in de verte. Het trappen
van de fietser leidt de aandacht daar vanaf. Aan de overkant van het water
hinnikt een paard zich schor en ik ben benieuwd naar Brigitte. Haar naam
op de boot, zo proper, blinkt zelfs in dit bewolkte weer. Is dat dan ware liefde
en zijn al die vlekken in het gras daar in de verte ganzen die zich klaarmaken
voor vertrek? Het geweerschot in de andere verte deert hen niet. Zij weten
niet van het gevaar en drijven mee op dat wat komt en gaat en komen gaat.
De klapwiekende duif stelt mij gerust met een roekoe, de kogel heeft hem
niet geraakt. Nog niet.
Het houden van mensen zou verboden moeten worden.
een stuk hemel
raast voorbij
achter haar venster
modderige contouren
een schild om
het wit van de jasmijn
trage tranen
parelen door
sterke contrasten
Trojaanse slagvelden
spiegeltje spiegeltje
aan de wand
Paris met
een gouden appel
in zijn hand
En een bloeiende
economie.
te huur
een lint verdriet
van zeven meter lang
voor in de tuin
geleverd met
een bonte streng van kleine lichtjes
om ook ’s avonds
de schittering
van tranen te laten zien
van nood en ziekte
met verderop een uitgang
zeg maar grote centenbak
om kilo’s meelij in te werpen
Recente reacties