Deze nacht is een zwijgend gedicht,
dat eerlijk spreekt, samen in gedachte
als een traag lichaam dat vrijt, dat zweet
in een levende geest
in een droom
die leeft
alles lijkt wit
maar waar wit is, waar wit is
is rood
als het bloed dat kruipt
dat kleeft
afhankelijk van het maanlicht
het beest dat overleeft
Deze nacht is een zwijgend gedicht,
als de waterdieren diep onder water grommen
deze nacht is een zwijgend gedicht
Uitspreken maakt alles erger.
Resultaten voor het trefwoord traag
1.
De tijd nam mij op zijn rug.
Reuzenschildpad in aardmannengang.
Waar gaan wij heen, indiaantje zonder haar,
zonder wielen om je spaken; met het licht
van alle sterren om de wegenkaart te lezen?
Wij gaan dwars door cellen heen, boren in
atomen, ontwijken elke kern en liggen stil
in vacuüm om de uren te zien drijven.
2.
Vliedende dagen gaan te vlug.
Als ik kon vliegen dan ging ik
niet zo traag, dan was vandaag
als pijl te doorklieven, hield ik
tijd over en zwom ik terug.
3.
Toch nog vijftien,
in het licht van de relativiteit
en alles wat sneller beweegt,
terug in de tijd.
T-shirts met dode poplegendes
en die pas ontdekte grijns.
Prachtige onverschilligheid,
opgehemeld paradijs.
Hij zei: Neem een aardbei.
Ik zei: Graag.
4.
De tijd nam mij op zijn rug.
Reuzenschildpad in aardmannengang.
Wanneer krakende voetstappen
zich voortbewegen in een nacht
die me speels wakker houd
wanneer alles vastbesloten lijkt
te liggen in angst, slechts enkel angst
in diezelfde angst
die mij
dagelijks zo bruut m’n dromen ontneemt
dan
vraag ik me af
of het niet beter zou zijn
om zo’n leeg bierblikje in de trein te zijn
of het niet beter zou zijn
om te bestaan in een traag meebewegen met het stoppen
van zo’n ijzeren monster
in het optrekken en het schudden
het blijven steken
in de barsten van een vloer
die door niemand opgemerkt word
Misschien is het beter
de adem van een willekeurig mens op de rand
van mijn blikken lichaam te voelen
zijn lippen die me even aanraken
om vervolgens
weggesmeten te worden
en te rollen
en te rollen
en te rollen
totdat iemand me oppakt
en er voor mij besloten word
dat ik thuis hoor
in een vuilnisbank
waarin ik niet meer geacht word te bestaan
zou dat
soms
niet makkelijker zijn
het valt maar neer
en ieder uur
zie ik de wijzers
van de klok
heel traag verschuiven
zie ze wijzen
steeds naar jou
ik kijk naar buiten
zie jouw lach
in winkelruiten
in de straat
ik wil je graag
heel even
in mijn armen sluiten
het valt niet mee
het valt maar neer
het houdt soms op
maar iedere keer
valt weer dat weer
ik wil ze sluiten
In de verte
achter een horizon
van traag licht
Ruist het lachen
van een kind
langs rijpend fruit
In de boomgaard
waar de rups
de appel mijdt
En sterft
voor het geluk
van een vlinder
Een rollator schuift traag
onmodieus voorbij, de man
die moeizaam gaat daarachter
oogt vermoeid, totaal niet blij
zet beide voeten stap voor stap
achter zijn wankel ogend rek.
In tegenstelling tot het meisje
met de rode zonnebril vlakbij
dat zo te zien vooral erg haastig,
dorstig leven wil, met één sprong
op haar fiets verdwijnt en daardoor
net niet ziet hoe hij verschijnt.
Naaktslakken die zijn pad kruisen
overrijdt hij altijd stuk voor stuk,
bewust keert hij vervolgens om,
fietst nogmaals over glibberige brei.
Hun niets moet overduidelijkst zijn.
‘Hij heeft vast een slechte jeugd gehad’,
zeggen mensen die het zien. Alles wat
hij zwijgend doet zegt: ‘Godverdomme’.
Slakken zijn te traag voor deze man,
die iedereen straks tegenkomen kan.
de bedrogene
wist niet beter
dan dat hij onder water liep
onvast en traag van stappen
geduldig toch
langs scholen vis en wier
was het doorgaan
weerbarstig blijven voortgaan
als het noodlot
ogen glazig op de wal gericht
hij kende niet
de dwarse rust van lange nachten
het was van oren dicht
en nooit meer ademhalen
Er gaat iets om in dagen waar geen mens
een weet van heeft. Hoe tijd vermalen
wordt met stof en zand, en water opdat
het niet te dik en traag door weken
ploegt. Wie woont er nog in weken,
wie wil nog weten waar hij woont
als wijken in de winter niets weten
van kou, sneeuw zorgvuldig uit
gestrooid rond kerstmis nieuw
jaar ontdooit en lente door
dubbele beglazing stroomt.
“Ik weet van geen tijd”
zei Japi en hij sprong.
het verkilde gras
schaterlacht niet meer
een racefiets op het tuinpad
foutgeparkeerd
in de zandbak staat
een oud kasteel te koop
wat verderop een doel, het
gescheurde net opgeknoopt
een tennisbal grijnst verloren
in de geel-groene greppel
de schommel hangt stil, gilt
mij niet meer over de muur
geen eieren meer geroofd
uit merelnesten in de haag
alleen schaduw van katten
beweegt gevaarlijk traag
ik trap geen bal meer
het kind in mij is op

Recente reacties