Resultaten voor het trefwoord toerist

klein eiland, lange winter – berry tunderman

Er valt hier niets te doen.
Deze tijd van het jaar.
Wat incest links en rechts.
Onvermijdelijk met goed fatsoen.
Dan hebben we het wel weer gehad.
Hier zo met mekaar.

We praten niet zozeer.
Steunen en kreunen ons door het leven.
O ja, soms gaat er eentje dood.
Ja, zoals we hier dan zeggen:
’t Is god en de duvel om het even.
Niemand mist ooit die boot.

Vorige zomer, reeds vergeten,
nu gerookte bonen bij de vis.
Geen toerist heeft dat ooit gegeten.
Tenminste niet dat die het wist.

Ja, ’t Is altijd even wennen.
Maar het heeft er alles van.
Dat ik hier nog even blijf.
Een beetje man reist zonder plan.

Met vrij zicht
Plus wat geluk.
Op zijn tijd het noorderlicht.

dag van een toerist – harry van de vijfeijke

De 1-dollar-fiets tuukt mij
langs kampongs, stuurt mij de
dessa’s in. Ik betrap mij al gauw
op zwaaigebaren.

Ik zie alom het scharrelen en
zie dat de kippen het nog
altijd anders doen dan
de kleine boeren, handelaren.

De kinderen zijn groot in aantal en
zijn overal, hun haren blauw,
hun tanden wit, waarachter zij
hun arme zalige blij-
moedigheid bewaren.

Daar staat waarachtig dan
mijn vader wijdbeens
in ’t natte akkerland, hij plant
zijn rijst in rijstverband.

De karbouw zoekt trouw
zijn voergerief in het
eeuwige karbouwbesef
dat de planter vroeg of laat
haar weer voorspant in de dag.
Een moeder, ach zij telt
per dag de rijst en per jaar
haar kindertal.

la vie touristique – hans van willigenburg

met de dikke huid van een toerist
die een knalgeel T-shirt draagt en op zijn borst
een heen en weer zwabberende camera met telelens
voor de bijzondere détails van het prominent
in de gidsen aangekondigde

mompelt hij tegen de straatverkoper
dat de rieten mandjes waarmee deze loopt te leuren
nog niet eens de bodem van een vuilnisbak waardig zijn

keelklanken die de straatverkoper aanmoedigen
middels driftige pasjes achter hem aan te lopen
de rieten mandjes met verdubbeld fanatisme
onder zijn aandacht te brengen en in te gaan
op de behoeftige toestand waarin vrouw
en kinderen verkeren

en met de dikke o zo dikke huid van een toerist
bromt hij halfslachtig dat diens koopwaar
hopelijk aan kwaliteit zal winnen
keert hem de rug toe
en gaat op slippers
dringend op zoek
naar een bekend merk verfrissing

zodat hij straks met vertrouwde maaginhoud
de hefboom van zijn recreatieoord
ziet naderen

de toerist met kogels uit zijn wijsvinger – olaf van muijden

Een marktkraam op een plein vol stof,
een rochelende man op een plein vol stof,

oh, ja en een cementmolen
– hij draagt mijn naam,
hij draagt mijn stropdas,
hij draagt mijn graf –

in het dorp van leem.
Tegen voorbijgangers vertelt hij fabels
over rooksignalen, om geld vragend
en superhelden met gereedschapskisten.

Een vrouw met inktgezichten
herkent de omheining, die ik timmerde
uit halfaangehoorde bedes

en ook zij legt bloemen
en ook zij wast mij schoon
en ook zij zegt: “Slaap maar, mijn jong!”