Resultaten voor het trefwoord tante

de verjaardag – peter heuveling

Verzin voor mij wat onzin
Laat me zachtjes zuchten
grijnzend glimlachen
Neurie onnodig om niets
wieg lachend om heel weinig
vier haar verjaardag mee

Wees de verwaande waanhoop
een nietszeggend iemand
De ondeugdelijke oom
die tergende tante
die ik diep dankbaar
slechts jaarlijks hoef te pruimen

over poëzie gesproken – hans goudart

Bin Ali Libi zat er helemaal naast
Tante Truus bleek
een deerniswekkende teef
ziekelijk zelfzuchtig
panisch veertig plus
zonder vergunning op jacht
in mijn buurtcafé
Tante Pollewop de beul van
kamp lagerbier
De Engel van de Efteling bleef
ongestraft onbeschoft
het zogenaamd beschaafd fatsoen
rondborstig maar platvloers
het leven als schijnvertoning krampachtig
haar marionettentheater van misbruikte medemensen
eenrichtingsverkeer in ieder opzicht
De Hoer van Barneveld
proud to be a slut
het woord niet waard
te zwak voor complimentjes
lam, doof, blind voor kritiek
een soort gestoord

Telkens ik ze zie een etage in de war
verkeerde verdieping uitgestapt
ik heb niets te zoeken op de
afdeling valse vruchten, zeldzame mutsen
tactloze taarten, betweterige burgertrutten
huichelachtige schijtlaarzen,nagels aan mijn kist
tot dader verworden slachtoffers

Het verzameld werk
van slordige aannames en voorbarige conclusies
goedkope theorietjes, halfbakken verklaringen
oppervlakkige projecties en het hele
zo-zie-ik-het, zo-zit-het-dus
en dat-is-dat en daarmee basta
het meermaals meten met twee maten
ik mag wat niemand anders mag
ik trek het niet, ik kan er niet meer tegen
hierbij wordt u de mond gesnoerd
De Freule van Spreekverbod tot Zwijgplicht
heeft gesproken in stuitende monologen
zonder weerwoord gebundeld als “Arschficken für Anfänger”

tante eliane – b. vogels

elke ochtend
haal ik je uit

ik val voor rood
en voor vier vruchten

maar vandaag
blijf je onwrikbaar
de lippen stijf op elkaar

balen
nu ik het zoet met een lepel
uit de bodem wou halen

swssj – ellen vedder

Een van mijn fans zit hardnekkig achter
me aan, dit gekma-a-akende godenjong
in lendendoe-oe-oek, hij noemt mij zijn tante
Ah ja a-a, ik wil best Jane zijn, ma-a-aar oe

oe-oei, in wezen ben ik een a-a-aap, onder
mijn uitvoe-oe-oerig scheren schuilt ha-a-aar
mijn geile ha ha lach is een goe-oe-oede reflex
ik stink en tandenknars als ik sla-a-aap

Hij weet nog niets, de arme drommel,
van poe-oe-ush-up bra-a-aas en slijta-a-age
aan knieën, hij voe-oe-oelt niet dat de lia-a-aan
zal breken als hij dit moe-oe-oesje scha-a-aakt

reste fidèle – ploos

Reste fidèle
Zo heet een restaurant
natuurlijk in de Bleibtreustrasse
in Berlijn
De wijn was goed

In mijn hoofd kletterden de munten
de koperen doodskoppen
die echoën in benauwde gaten en
in de muren en op vloeren
van Libeskinds museum
Daar keek ik urenlang en dagen later nog doorheen
Beloofde die plek plechtig trouw

Wat schoon en rustig
en helder is de stad
Een metropool en niemand loopt een ander in de weg
de mensen lachen naar elkaar en zeggen dag
of liever guten Abend — gut’Nacht
De ‘Alte Jüdin’ loopt nog steeds
en lacht

Het was mijn tante Sara die ik alsmaar zag
en ook mijn moeder trouwens

bericht uit het ondergrondse – fred tak

beste tante overzee
ik zal het u vertellen
we zijn voldoende afgestompt
en afgedaald
de bodem is in zicht

we hebben al heel wat lagen huid verloren
aan de wand van schuurpapier
het bloeden
sijpelt ons inmiddels langs de lijven
maar ons loden hart blijft dapper slaan
als een moker
tot we opnieuw
door vloeren breken

steeds die kelder
onder kelder
er komt geen einde aan

maar ik denk
dat we nu
niet verder zullen zakken

het leven zoals het is – m. bakker

soms verlang ik naar een leven
zonder trams en latte macchiato
kinderkoffie die snobs op leeftijd
troost biedt op morsige dagen

zoals vroeger je knuffelbeertje
getooid met de naam Harrewijn
een idee van die gekke tante
vaste klant in kladdige kroegen

waar mensen hun levensverhaal
delen met vreemden van de
overkant maar altijd aangekleed
met toefjes opgeklopte slagroom

want de naakte waarheid geeft
teveel bloot om nog fijn te zijn
overdenk ik wanneer losbandige
wolken heen en weer bewegen

en ik koffie naar binnen giet
met volle teugen terwijl bij elke
slok de berusting toeneemt
in mijn groots stedelijk leven

suppletie – efce

In de verte zie je een werkboot die blubber verzamelt – en onder hoge druk in een roestig maar nog solide ogend buizenwerk perst. Suppletie. Het zal dáár wel een rotlawaai zijn, maar hier aan wal geeft het juist een geruststellend, bijna liefelijk geluid. Zachtschurend schieten tonnen zand langs je heen, naar een bestemming buiten je blikveld. Zo nu en dan wordt de monotonie onderbroken. Al van verre hoor je dat er iets komt. Iets dat holderdebolder meegevoerd wordt met de stroom. Een steen, denk je. Of een groot, ongelukkig schaaldier. Of die mobiele telefoon of die sleutelbos. Je bent hier al zoveel verloren. Je tante Leun, bijvoorbeeld, die iets verderop is uitgestrooid. Niet ondenkbaar dat ze nu wordt opgepompt, langs komt suizen en strand wordt. En weer wegspoelt. En weer strand wordt. En zo verder.

wat een ijdelheid – delphine lecompte

Ik denk na over mijn bestemming
Wat zal ik doen: mijn moeder bezoeken met tulpen
Of mijn tuberculeuze tante met gedroogde vijgen?
Geen van beiden
Ik besluit naar een gelovige vriend te gaan
Hij is niet thuis
Maar het licht brandt
In zijn sobere woonkamer
Schijnt het op een stilleven van theebuiltjes en opengesneden forellen.

Ik bezoek mijn moeder zonder bloemen
Ze negeert mij en chat verder
Met haar Libanese toneelschrijver
De vader van geen enkel kind
Ik plunder haar kasten
Met een uitpuilende rugzak vlucht ik
Naar een ander land
Het is niet exotisch, het is Nederland.

In een kunstmatige grot overnacht ik
Tussen paardendieven en kattenmoordenaars
Voel ik mij nederig en/of heilig
Ik voeder ze
Bonen van mijn moeder
Borsten van mijzelf.

In een nis staat een beeld
Van een brandweerman die
In zijn armen een bundel dode bejaarden draagt
’s ochtends wordt het een houthakker met zijn kroost.

op zoek naar tanden om onze honger te verbijten – delphine lecompte

De zee trekt weg om schelpen te tonen
Mijn tante zoekt de stifttanden van haar zoon
Ik sta naast haar met droge palmen
Die volgekrabbeld zijn met paswoorden
In mijn hoofd zeg ik tegen mijzelf:
‘Verman je, slappeling!’ in het Duits.

In de cafetaria op de dijk is iedereen gefnuikt
Iedereen behalve de broer van de taxidermist
Hij is al 58 jaar maar hij heeft nog geen ezelsbruggetjes nodig
Om de doorlaatrichting van zijn haardroger te onthouden
Voor zijn vrouw is het te laat
Te laat om zich te herpakken,
In een korset te wurmen en extatisch te gakken
Wanneer haar echtgenoot een grotesk bintje in haar schoot werpt.

Mijn tante krabt het tafelblad met een stifttand
Terwijl een coupe slinkt zonder hulp van buitenaf
Het tafelblad is groen als de leiband van
De dode rottweiler van de uitbater
Onder het groen blikkert het rood
Van een vorige uitbater die geen huisdieren had.

Nieuwe klanten komen binnen
Met gespeelde chagrijnigheid
En kinderen die houten afgoden dragen
In mijn hoofd sist een oude man
Dat mijn vraatzucht onvrouwelijk is
Maar mijn coupe is nog halfvol.