Resultaten voor het trefwoord tafel

lepelvork – bianca hendriks

Op de opklaptafel ligt een groene
vork die van achteren lepel is

je kunt er ook mee snijden al
zijn de meningen daarover verdeeld

het was goed bedoeld

In het prullenbakje ligt een restje
sla met een lege beker
erboven op, het plastic zakje
van de vork
op de grond

ik drink thee zonder me te snijden
als ik klaar ben klap ik de tafel dicht

miss montreal – maaike klaster

Ja, je kunt wel zingen schat, maar hebt voor jouw medezangers, -mensen
bijzonder weinig oog of oor, waardering of aandacht, zoals wij dat noemen.

In de krant stond een interview met jou waarin jij koelbloedig van jouw
hoge toren blies, als een ijskoningin op haar troon gezeten. Nou ja, een
klapstoel was het. Met welke bedoeling? Om ons te laten weten dat jij
zo’n zeldzame kunstenaar, een bijzonder bekwame artiest met een kut bent?
Wel ja! Misschien ben je op zoek naar een vader, een papa. Dat zijn er wel
meer. Zonder vader verder leven is geen verdienste, maar een gegeven.
Daar win je geen zieltjes mee. Jij wel? Prima. Bedenk dan in ieder geval
dat de mannen die jij uitkiest om jou Groot en Heel Belangrijk te maken,
je kent ze wel, eigenlijk op minderjarige meisjes geilen. Wie ben jij?

“Ik ken (bijna) geen vrouwen die iets kunnen.” was wat jij in dat interview
zei. Goh. Ik ben een vrouw en ik kan een pen vasthouden en deze alfabetische
taal op papier zetten; ik kan op mijn knieën een man zitten pijpen – of ik dat
goed kan, is niet aan mij; ik kan mijn eigen reet afvegen. Wat kun jij? O ja,
zingen, dat was het. Nee hoor, lieverd, ik vind jou niet zielig en je hebt niet
heel veel meegemaakt vergeleken bij andere mensen. Wij maken allemaal
vanaf het moment dat die ene eicel zich door de zaadcel van haar keuze met
liefde heeft laten penetreren heel veel mee. Of wij bereid zijn dat ten volste te
beleven, is in wezen het enige wat telt.

Ik weet het, schat, jij zat al heel vaak bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel en
hij kan het weten! Wat heb ik te vertellen? Niemand kent mij! Maar ik ken
Matthijs van vroeger, toen ik niet bij hem, maar hij bij ons thuis regelmatig
over tafel ging, als de protegé van mijn vader, die chef van de kunstredactie
was bij dezelfde krant waarin jij alle vrouwen uit jouw omgeving en ver
daarbuiten, behalve jouzelf en jouw moeder misschien, triomfantelijk onder
hebt zitten kakken. Die vader van mij had vaak het hoogste woord, net als jij,
maar hij kon schrijven, leerde Matthijs het journalistenvak, vertelde ons
‘s avonds verhalen over zichzelf en zijn collega’s, ook over Matthijs, die hoorde
erbij, daar aan die Amsterdamse tafel in het hart van de Bijlmer. Juist, daar
woonden wij en zo kwam Matthijs ‘s avonds voorbij. Volgens mij heeft de beste
man nog eens tijdens een huisfeest van mijn ouders met smaak staan smikkelen
van een lekker gevuld eitje dat ik als negenjarige klaar had staan maken.
Vroeger hoorde Matthijs bij mijn vader, in mijn beleving als kind. Nu niet meer.

Toen mijn vader stierf, deze maand achttien jaar geleden, sprak Matthijs op de
begrafenis. Hij vertelde over de vriendschap die zij hadden als collega’s, over
die lange vader van mij met dat belachelijk kleine, plastic koffertje dat hij
gekregen had van mijn Zeeuwse oom die veearts was, waar medicijnen in
bewaard werden voordat mijn vader het een nieuwe functie gaf. Mooi vak,
veearts. Mooi landschap ook, daar in Zeeland. Mijn vader dus, die zelf met een
ziekte leefde, maar daar nooit over schreef. Een ziekte die schijnbaar ook in mij
huisde en waar ik als negentienjarige in mijn eentje mee achterbleef nadat ik
samen met met mijn broer, zusje en wat ooms van mij de kist met het lichaam
van mijn vader, in gedachten op hem scheldend, over een natgeregend
begraafplaatspad, onder een blauwe lucht met felle zon en witte wolken naar
zijn winterse graf heb gedragen. Wat waren hij en die die klote kist zwaar! Hij
had zichzelf moeten dragen, daarom schold ik zo op hem; niet omdat ik hem
mijn liefde wilde onthouden. Hij was weg, maar die ziekte bleef en ik dacht nooit
meer verder te kunnen leven. Volgens mij heb ik hem een klootzak genoemd.
Schelden op iemand die je lief, maar die dood is, terwijl je diens loodzware lijk
voortsleept, ken je dat? Kun jij dat? Ik deed het. Zet er maar bij, op mijn lijstje.

Bij die tafel waar het allemaal om draait hoef ik dus niet aan te schuiven.
Uiteindelijk schuiven ze allemaal aan bij mij en kom ik zelf veel meer te weten.
Over welke artiest een kleine piemel heeft bijvoorbeeld. Iets wat je als achtjarige
niet al hoort te weten, maar ik wist het. Dat werd mij verteld tijdens het eten.

Hoe mijn vader dan wel niet heette? Ga dat maar aan Matthijs van Nieuwkerk
vragen. Er was een tijd dat ik hem papa noemde.

verslaving – laura mijnders

Leonard Cohen
en een beetje goedkeuring
ik zag het glas
al op de tafel staan
het pakje sigaretten
al door de kamer liggen
rood
van de lippenstift die
ik nooit opdoe

zachte heelmeesters – maaike klaster

Misschien lopen er mensen rond op aarde die precies weten
wat ze kwaad doen en daar dan stiekem, als ze denken dat
niemand kijkt, stilletjes om moeten lachen, niet kunnen
stoppen met grinniken wanneer je dan eindelijk tegenover
hen aan tafel zit, die net doen alsof ze een beetje dom,
onnozel zijn. Zelfs met die eed van Hippocrates op zak.
Er was een dag in 2008 dat ik zo verscheurd werd door
emotionele pijn dat ik schreeuwend en kermend op de grond
lag. Eén dag werd twee dagen; twee werden er drie, vier, vijf,
etcetera. Hoewel ik volledig bij zinnen en 100% bij verstande,
toerekeningsvatbaar was, in volzinnen sprak, heel duidelijk
kon uitleggen wat er mis was, vond iemand het nodig om mij
officieel psychotisch te noemen en hij voegde er aan toe dat
ik dat waarschijnlijk al twaalf jaar lang, al mijn hele volwassen
leven was geweest, omdat de pijn waar ik over sprak niet in
mijn lijf zat. Over de complete idiotie van die conclusie zal ik
het hier niet hebben; wel over de slotsom van zijn betoog,
van zijn calculerende beredenering. Die klonk ongeveer zo:

“Als jij nu niet jouw jas aantrekt en de straat op gaat, Maaike,
dan zie ik mij genoodzaakt jou gedwongen op te laten nemen
in een psychiatrische kliniek, dan komen ze jou met een
ambulance en een dwangbuis halen, voeren ze jou af. Dat zeg
ik tegen je omdat ik het allerbeste met jou voorheb; dat zeg ik
met een onhandige, jongensachtige glimlach, zodat jij denkt
dat ik heel lief en jouw surrogaatvader ben; dat jijzelf gestoord
en een gek wijf bent; dat wat ik zeg zo hoort. Jou gedwongen op
laten nemen en plat laten spuiten op de gesloten psychiatrische
afdeling van het dichtstbijzijnde ziekenhuis is geen probleem
voor mij, want ik ben een arts met een bevoegdheid en jij hebt
geen diploma. Jou gedongen laten opnemen is het beste voor
jou, voor mij en voor iedereen in deze stad.” Gevolgd door dit
klinkende en met medailles behangen slotaccoord: “Daar wil de
burgemeester graag zijn handtekening voor zetten.” Alsof het niet
om mijn leven ging, maar om een verhaal van Annie M.G. Schmidt
dat hij voor de grap aan mij voorlas. Alleen meende hij het echt.

Dat was het kwaad in zijn zuiverste vorm en door mij destijds en
tijdens vele gelegenheden daarna bij de wortels uitgeroeid.
Dat doe ik nog steeds en dat zal ik altijd blijven doen. Daar wil ik bij
deze graag mijn handtekening voor zetten, want ik heb uiteindelijk
geen universitaire graad behaald, maar ik heb wel een pen.

Was getekend,
M. Klaster

pass the dutchie on the left hand side – maaike klaster

Arie, Dinand, Colin, Ali, als hier een ronde tafel stond,
dan zouden jullie nu samen zitten te kaarten. Met aan
de kant van de dames: Angela, Anouk, Anneke, Tjitske.
Vergis je niet, die bijten ook als het moet, slikken niets
voor zoete koek. Laat ze maar lachen, die labbekakkers,
jullie zijn het Hart van Nederland.

enkeltje container – laura mijnders

Ken je dat fenomeen
van die rechtstreeks
containerteksten
geschreven voor mensen
die wel
een enkeltje container
kunnen gebruiken
van de papieren teksten
die ik zorgvuldig
tot een prop vouw
bouwen ze meubels,
een sofa en
een tafel misschien
als dat al in een rechthoek
op rolletjes past
van mijn gedachten breien ze
een deken
blijven ze warm
totdat de vuilniswagen
zich meldt

lach om de dood – enrico

voor haar op tafel
stond het kistje
besmukt met een roos
het rook nog steeds
naar zoete herinnering

lang geleden
had ze het gekregen
van een te vroeg gegane vriendin
“in nood: open het!”

levenslang achter haar
was ze in nood
en opende het kistje

een glimlach
tekende haar gelaat
toen ze een week later
gevonden werd

ik vraag niet – jos van daanen

Ik vraag niet naar je naam
al was je de verkoper van het licht
uit gouden armaturen, of de predikant
aan de slippen van schuld en schaamte.

Niet naar je bespottelijkheid vraag ik,
al leg je die in botten, bloed en zenuwen
voor me klaar op tafel, en geef je mij
een grote lepel om te proeven.

Gisteren in de salon van het huis
van Euterpe was je de klomp van vlees
en blauw gewaad, het zoveelste
gekunstelde pseudoniem, klaar
om mij van mijn weg naar huis te voeren.

Ik heb niet naar je naam gevraagd.

lijst – katja bruning

Rode lak
bladdert
van haar lijst

Haar gezicht
glimlacht

In gelakt hout
dat ik nam
uit haar
Japanse tafel

lijstte ik haar
keurig in

Slim
was ik

Vinden
zullen ze haar
nooit zo

Verbergen
zal ik
de rode
lakschilfers

Ik hoor
haar stem

‘Japan
wintel
kennen we niet

Japan
bloesemblad
sneeuwt
We oogsten
witte lijst

Wees niet bang’