Resultaten voor het trefwoord sunshine tenochtithlan

luister – sunshine tenochtithlan

Vergeef me, vader, deze dag, ik kom bij u op biecht
ik loop al tijden wankel onder schuldbesef en plicht
en zoek wanhopig naar de zin, de deugd, mijn schone wicht
niet dat het ook maar in de verste verte aan haar ligt
al zij gezegd dat zij voor stimulans noch sjans gezwicht
mij streng heeft toegesproken en ook onderhands beticht
van ongerijmdheid en hoe dat haar ogen nooit bedriegt

Welnu, mijn zoon, ik dank je voor de woorden mij gericht
ik kan welhaast begrijpen hoe zoiets spontaan vervliegt
en wat er nodig is opdat ze met haar heupen wiegt
in schalkse oogopslag jou guitig gadeslaat, niet liegt
veel liever jou verovert dan een doorgelopen smiecht
vrijzinnig spinnend van genoegen wenst dat jij haar driegt
spuit eerst je oren maar eens uit, hoor dan haar rijm gedicht

brekebeen – sunshine tenochtithlan

Het strand ligt aan mijn voeten en ik bestel een broodje
kostverloren, begeleid door een café frappé blanc.
De bediende noteert de bestelde order, haalt met
de vliegenmepper ijverig naar mij uit (zou hij boos
zijn op mij misschien?), kijkt dan onverdroten schielijk langs
mij heen, lijkt wel verrast door wat hij ziet! Ik kijk hem steeds
bleker aan, niet echt gerust op wat er in hem omgaat.

De man komt lomp en vol van zanderige zurigheid
het terras op, laat zich met een zware plof op een stoel
zakken en fluit schril een commanderende wenk tussen
de lippen mijn richting uit, dat laat ik mooi niet op mij
zitten en bedenk hoe hem dat terug te betalen,
pak daartoe de vliegenmep als afleidingsmanoeuvre,
neem zijn bestelling op, sla af, en zie de golf te laat.

xenos’ paradox – sunshine tenochtithlan

Wikkelwegen [V]

„Als je wilt dat ik je inhaal moet jij harder lopen.

Het maakt niet uit met welke klok je meet, de tijd staat stil
bij alle beweging die zich op de ruimte verlaat.
Net zo maakt het niet uit hoe snel je de beweging volgt
aangezien de ruimte in de tijd ligt opgesloten.
Noch maakt het enig verschil in welke ruimte je de
tijd van beweging voorziet, want de oorzaak is bekend.

Als je vindt dat ik me er goedkoop van af maak geef ik
je groot gelijk, het kost dan ook bijna geen tijd om uit
eigener beweging enige ruimte zinvol aan
een stuk door te besteden, het gevolg heb jij bekend
verondersteld zonder aan mij rekenschap te geven
van meer dan ter plaatse een tijdig bewogen vertrek.

Als je wilt dat ik je afhaal moet jij niet gaan lopen.”

dies natalis – sunshine tenochtithlan

I.

Geen spraken van de taal, moest nog gevonden
in de spaken van de klank, gebaar en wegwijs
mistten in de schraapsels van het kelen, grondijs
schuurde ronding, klaarde storting en de wonden

dichtten. Kwam het vuur, kwam het uur, weer zonder
zonde, zonder lichten, hemel brak van zuilen
water die getijden over wolken deed verruilen
voordat ogen verder rouwden dan een donder

redding wist te scheppen in dit land van wezen
waar het worden een belofte leek te zijn.
Onrust waakte over neergang, sloeg het vrezen

om, halsstarrig reiken uit de vlakten gaf het sein,
het allereerst vermoeden, nu nog steeds te lezen
in de grotten en de stenen. Zweeg de godengrijn.

II.

Het worden vond zijn grond en in de verten
verdween begin; zoals begin geen einde kent,
zo kent wording geen aanvang, is wat went
in ogen die niets anders weten dan alerte

jacht, waar dood en sterven nog ontdaan
van riten en bezwering in een zalig strijden
manifest zijn, verlossing een verwijtbaar wijden,
dat eerst pas kwam bij het namen van de maan.

Een naam, de eerste naam! Gerommel tandenknarst
in wolken waar de stof verdicht, een stemming slaat
met kracht van heersing om zich heen, misleiden

springen om de gunst in vloed en vlezen, scheiden
heiligdom en aards gezant voorgoed tot eerste daad:
een nieuw verleden breekt met heden, heelt de barst.

III.

De eerste duiding. Het voeren van het woord.
Het mocht geen naam hebben. Een sjamaan
zon op de netels, schemer hongerde zijn waan:
wist van erven zonder inspraak, van hoe gestoord

het onvermogen wat geweest is ooit te keren,
van schakels in de tijd die ketens binden
in verlegenheid, van morgens dood te vinden,
maar geen weg, vooruit, om bij te zweren.

Een veste zocht zijn gronding. Verhalen sponnen
taalweb, kleefden koers en dichting: een verfijnde
hemeldrift beloofd, spraakmakend de vergoeding.

Eindelijk! Het hoge woord eruit! Wát beter voeding
dan de duiding aan te dikken tot bezworen einde.
De goden lachten, zacht, nerveus: ’t was begonnen.

hoogmis – sunshine tenochtithlan

„Ik heb je erg gemist,” zei jij, en raakte
meer dan slechts mijn licht verlegen oor,
dat plots moest kleuren om dit schuchter, door
de telefoonlijn in de stem halfnaakte

wezen, zo mij ontoerekenbaar
bekorend, hees verhit syllabenzang,
vanonder knisperende lakens, lang,
plechtstatig, uit de hoogte, op mijn altaar

in aanbidding, magisch tot bekant
een adoratiechoreografie
van paringsdans en passen op de plaats

delict. ‘k Beging een misdaad eerstegraads
om jou, mijn moordvrouw van de litanie!
Jij bent mijn allerliefste misverstand.

belijdenis – sunshine tenochtithlan

„Jij moet in lijden gaan,” zo schreef zij vief,
en dwong mij tot een apocrief votief-
missaal; zoals de wijn het water naakt,
mijn droomzin onverhoopt te schrap geraakt.

Ik wachtte op een inspiratiewind,
wellicht was Sinxentijd mij goedgezind,
maar kreeg in plaats daarvan een koortsig natte
drogclausuul van mijn verloren schatten.

De stilte bleef en hield mij stijf aan banden
van de weeromstuit, zocht taal mijn teken-
schrift in dit van zon verwaaide land,

het snapte mij maar nét bij het verzanden;
toch de geest gaf, wees van mijn gebreken:
„Jij leidt mijn allerliefste misvershand!”

rondom ons – sunshine tenochtithlan

De steen toont grijzer dan je haren die
al nooit meer waren dan een stoppelplek
Je lijkt schier opgelucht nu ik het zie
hoezeer uit jouw gelaat ontspannen trek

schijnt stekelige moeizucht een gesprek
zo anders wat we zagen onder koffienijd
zelfs daar nam je je ongevraagd vertrek
voor al de zorgen weken als absurditeit

En weer heb jij ons van misbaar beticht
je schim aanwezig schonk gezichtsbedrog
geen ons gaf jij voor niks en niemendal

Ik vraag mij af hoe mis naar voelen zal
het missen doch niet weten hoe daar nog
mee weg te komen stopt dit graf gedicht

ben no! – sunshine tenochtithlan

„Laat de kinderen tot mij komen,” sprak de paus,
„Zegen hen, erbarme ons hun toekomst. Jezus,
geef ons leiding in Uw naam: verleen consensus,
levend naar Uw wil.” Hij kreeg een vet applaus.

„Ha,” dacht Benny, „zó kan ik het ook! Barmhartig
ben ik al sinds jong. Belast of handicap,
mij is niks te veel voor wat ik over heb:
laat de kinderen mét mij komen, Hem indachtig.”

Michael’s Ben was zijn kompas. En hij bekwaamde
zich in allerhande geestelijke zaken,
schreef een wervingscolumn, trok alras zijn baantjes,

pikte met zijn camera de fraaiste graantjes
in den lande, vingervlug in al zijn taken.
„Nee!” was niet aan hem besteed, met wat hij kraamde.

waarschijnlijk het ergste – sunshine tenochtithlan

Waar waarzin waarschijn weerloos wenken wraakt,
stupide streling stopt stochastisch stelen,
daar dienen deemsterdoelen dra de delen:
longeren lumineus. Luguber laakt,

hetgeen hoopgevend handen hinkelhaakt,
veel verder, vuur verterend, voortaan velen;
karwats krimpvast kastijdingskoor kan kelen,
maar meestentijds minachtend monddood maakt.

Zo is zij mij gehecht, mijn tongenbreker;
of is het: heeft zij mij geslecht?! Geen dag
passeert of deuren sluiten raming buiten,

op zich gestolen tijd vooraf het muiten.
Waarschijnlijk nog het ergste is het wach-
ten op een struikelpas; zij speelt op zeker.

three players in an artificial landscape – sunshine tenochtithlan

Dali’s Mae West kijkt mij nieuwsgierig aan;
een beetje norsig, haar blik gericht
op diepgang, al lijken de lijnen

de vloer met haar aan te vegen,
haar ogen loken schitterverten,
brokaat omlijst en in gekrulde tijd.

Ik sta. Hier. Bij. Stil. Gedempt in licht
dat meer in licht wil zijn dan slechts
museumschijn; zat het mij maar net zo

Mae, denk ik dan, ik wou dat ik twee
vrouwen was
~ één om mee te hangen,
en één om eigen licht mee op te doen.