de weg snelt
de verte lonkt
de handen losjes
aan het stuur
doet ze honderd
vijftig per uur
de vraag is nu
waar wil je heen
de weg snelt
de verte lonkt
de handen losjes
aan het stuur
doet ze honderd
vijftig per uur
de vraag is nu
waar wil je heen
Ik mis je nu en dan,
je strakke lijn
en je fluwelen banken
Dan droom ik hoe ik je
bevingerde met graagte,
je vitessen
en je eigenzinnig stuur
Hoe nauwelijks ik
je rempedaal beroerde,
want stilstaan wou je niet:
je was gemaakt
om hoog te vliegen
Je stuwde mij
hydraulisch
op en neer
je zweefvlucht
hield nooit op
Toen brak mijn hart
en jouw cullasse
Een laatste rilling
gleed doorheen jouw
slanke, stalen flanken
En ik was weer alleen
en jij
een puur i.d.
Dag in de natijd van de stam, de bidprent dubbel op het stuur.
Vader, moeder, zie de koeien, zie de vlier. Zomer als ooit.
Pedalen slaan in hun ritme braaf de dood voorbij.
Ik laat de bede, rammel aan mijn brein,
verken de kleinste openingen nog en nog
en weet voluit: ik heb u niet vermoord.
We praten in een zucht van uren, gedroogde dennenlucht,
gebrande koffie van de molen. Wij van dezelfde stam,
nestprevelen en halen op naar liefst vermogen.
Recente reacties