Resultaten voor het trefwoord stank

landstreek – c.p. vincentius

’n Dag misdeelt denken in duister,
verlaat de controlepost in regen.

Links langs het kanaal veredelt
een fabriek ’t vet naar behoefte.

Menig geroep uit het oeverriet
rimpelt schuim op het afvalwater

en laat het kolken in zwemslag.
Walm zegt de leek op het strand

en wijst naar lucht zonder stank
en hemelsblauw waar te nemen.

rozen en zweet – c.p. vincentius

Eens roken de rozen mensenwater
en fleurden op in pis en mest.
Mos bedekte al onze rieten daken;
toonden sleet in sterfelijk bestaan.

’s Avonds stond werkkledij stokstijf
bij ‘t voeteneinde van het alkoof.
Elk kwartaal weekte sop het zweet,
verloor ‘t goed vertrouwde stank.

Alleen kop en handen aan de pomp;
de rest aan ‘t einde van de week.
Zo roken wij rozen ’t mensenwater
en fleurden op bij zichtbaar naakt,
dat op de buiken ‘t zout van zweet
in alle liefdesspel bleef proeven.