Resultaten voor het trefwoord stam

verhalen van de aarde – maaike klaster

1.

Ze gooien vliegtuigen op ons neer
om ons te beroven van een jeugd die we toch al niet meer hadden,
noemen het een Bijlmerramp, maar wij weten wel beter.
Moeder Aarde staat om de hoek te lachen
als wij bloemen aan de voet van onze dode voorvaderen leggen,
huilen om de kinderen die we nooit hebben leren kennen.

De kransen zijn zwart, maar als het tranen regent, kleuren wij
hun wereld net zo paars als wij zelf altijd de wereld
met bloemen bezaaid hadden willen zien,

en wij laten onze moeders achter
vinden ergens op aarde ons eigen graf,

leggen ons neer, tillen vliegtuigonderdelen terug in de lucht,
zwaaien onszelf, elkaar, de wereld uit,
brengen de black box naar huis.
 
 
2.

Moeder Aarde fluit ons terug naar huis,
bewaart vogeleieren in haar buik,
maakt een sprongetje dat je met het blote oog
net wel, net niet kunt zien.
De metro brengt ons thuis,

verandert niets aan ons perspectief.
Bomen leren ons één ding, dat bewegen leven is,
staan voor altijd stil,

om ons met zacht geritsel aan een eindeloze, lome zomer
en nog hoorbare kinderstemmen te herinneren.

We vinden ons terug in het blad en de stam,
staan levenloos te bloeden, roteren om onze eigen as,
zoeken naar die laatste pijl van dat eerste spelletje
spoorzoeken.

terug naar de platte grond – hanny van alphen

ik trek het niet meer
die wijde wereld
in godsnaam
laat haar krimpen
tot wat zij was
een platte schijf, net groot genoeg
voor hier en daar een stam
bossen bomen en struikgewas
wat rotsen en rivieren

een simpele grot om in te wonen
een krijtend kind
en een god die verwondert

breda, fatimastraat, zomer 2011 – ellen vedder

Koeriers in jogging of spijkerbroek, jagen
de tijd voor zich uit, van pakket naar huis,
nog te behalen doelen, megagrote auto’s,
kostuums op wielen voor de man, soms
vrouw, stil kijkend naar voorbijgangers

Moeders met vrolijke billen, heupwiegen
op geile peeptoes, hun liefde als een tent
om zo’n mollig jong in een wandelwagen
Verderop de zakkerige jeugd, lege blikken
die uit handen ploppen, waar is de chill?

Een heer, ruitjesblouse met korte mouw,
bretels, grijze hoed tooit het kale hoofd,
handen fladderen als hij een arm steunt
op een omgezaagde kastanje, voorover
gebogen telt hij de jaarringen in de stam

dag in de natijd van de stam – harry m.p. van de vijfeijke

Dag in de natijd van de stam, de bidprent dubbel op het stuur.
Vader, moeder, zie de koeien, zie de vlier. Zomer als ooit.
Pedalen slaan in hun ritme braaf de dood voorbij.
Ik laat de bede, rammel aan mijn brein,
verken de kleinste openingen nog en nog
en weet voluit: ik heb u niet vermoord.

We praten in een zucht van uren, gedroogde dennenlucht,
gebrande koffie van de molen. Wij van dezelfde stam,
nestprevelen en halen op naar liefst vermogen.