Resultaten voor het trefwoord schepen

ik wil niet meer horen – kees klok

Ik wil niet meer horen
van dit kolken en verklaren
dit uitleggen
van radeloosheid dit
veronderstellend alles weten.

Ik wil een ommuurde tuin
onder wolken die wij ooit
speels duidden
vers gemaaid gras de
geur van meisjesharen.

Geef mij blues, rebetika of fado
meeuwen boven drooggevallen
schorren, een slikrivier
met vissersboten die alleen
weten van roest en rotting.

Geef mij het schuren van
schepen langs de kade
vervagende letters op
doorweekt krantenpapier
en verstomde microfoonstemmen.

Laat mij het ritme van de rivier
de verhalen
van een grootvader
die beter wist.

het moet maar eens – frido welker

het moet maar weer eens gaan waaien
in de haven liggen de schepen stil
ze wachten,
het is een binnenhaven van een stad
die niet meer aan zee wou liggen
of de zee niet meer aan hem
liet knuffelen, het maakt ze niets uit
wind is waar de schippers op wachten

ze hebben vaker gewacht
als ze aan land waren op de zee
en als ze op zee waren, dan
ja dan op land

ze hebben vaker gewacht
op bier in vergeten kroegen overzee,
proostend nog voordat er bijgeschonken was
als er maar gelachen werd

ze moesten wachten op een vrouw
ze konden niet kiezen want er was er geen
en als er eindelijk één was
die langer bleef dan een nacht
dan leerde ook zij wat wachten was

sommigen moesten hopen
dat er vis was aan het einde van dag
dat de netten zouden glinsteren van het zilver
en blauw, spartelend, en dan gauw
terug naar land

gerimpeld kijken ze uit
verankerd liggen hun herinneringen

de iden van maart – lammert voos

een turkoois lint tussen dijken op
het veld gesmeten de zon schitterend
op de kabbelingen en de wijzers van
de kerkklok waar de kauwen luchtvechten
op thermiek duiken en ontwijken,
schijnaanvallen; honderden grazende
grauwe ganzen scheren niet weg
maar kaal gras wuift windloos groen
op basaltblokken langs de rivier en in
bomen, struiken en in prikkeldraad
hangen verdord de scalpen van
winteroverstromingen; elzen en
peppels lopen uit met aarzelende
vroege tjiftjafs tussen de takken
overstemmen dof ploempen van
dieselmotoren van passerende schepen
en de dekknecht loopt naar
de stuurhut, stilstaand aan de reling,
meeuwen in het zog en de pont wacht,
de kabel pas weer strak na de passage en
de zon schittert woedend op de kabbelingen
en het is allemaal zovanzelfsprekend
tot het verdwenen is

de sluier van gaia – stoney pete

Van de andere kant gezien
is waarheid illusie
en ja nee of misschien

Tussen liefde en ruzie
ligt een leeg land, louter
zee, strand en woestijn

De schepen zeilen er
op jouw adem
in het licht van jouw ogen

Niemand daar vademt jou
Mijn vader is hun conclusie
Ze doden in zijn naam

Zijn woede was hun onweer
Hun wereld is nu woest
en ledig

Maar onder een rode maan
kus ik je
en daar komt de zon weer