Resultaten voor het trefwoord ruis

nagalm – iniduo

niks bijzonders, gewoon naar de achtergrond drijven
voorbij de bestemming van vliedend licht
in de kantlijn van haperend geheugen achterblijven

de eerlijkheid gebiedt van een nagevoel te spreken
een afzwellend besef in vloeibare, ijle verten
die kort nabij nog van koudgebeiteld steen leken

in kringen rond de stuiptrekking van het heelal
van getijden die periodiek in zee wegsterven
weerklinkt zachte ruis van de dovende oerknal

de hemel trilt onder het gewicht van strovuur
het verdampen van elk geluid lijkt een roep
om bestendiging van eeuwigheid als korte duur

uit – b. vogels

mijn stappen verstuiven
mijn adem is pluis

op een dag ben ik
enkel nog wind

in een urne van riet
kan ik me vinden

als een bries
in het laatste ruis

afwaarts – b. vogels

de dag smelt
als een laatste kans
om ijs te breken

de diepvriezer ronkt
tot zonsondergang

ze waden zonder spreken
in het vaarwater van het huis
hun hart bonkt
aan de deur van teleurgang

de tijd glijdt
onder stoelen en banken
als een gletsjer zonder ruis

vliegen en opstaan – jeroen c. muts

Ik blies – de zenuwen – ver weg
maar enkel een wolkje waaide
’t zeil wapperde een beetje mee
alsof het naar vrijheid graaide

tot ik groen zag van verlangen
bond ik bladeren langs lijf en leden
om naakt zoals de lucht te zijn
zonder twijfel om te kleden

geen ruis, of huilen dat is het niet
de wind speelt met mijn gedachten
daar componeert zij heldenmoed
geen ballade van het wachten

aard ik wel met beide benen
of is het meer ‘t mulle zand
schiet ik al tijden kansloos wortel
met gevoel, maar geen verstand

daar wacht ik dan; enkel maar hopen
– ook al is het domweg voorgelogen-
met zelf gebouwde wieken, gepaard
met doodsangst in mijn ogen

de afgrond lijkt toch wat diep
wie weet waar ik zou belanden
zou zij mijn vliegtuig vleugels geven
of de droom hier doen stranden?

ach,

spring! En kijk nimmer terug!
Ook niet als je wat daalt
soms stijg je en soms verlies je wat
als je de overkant maar haalt.

witte ruis – lammert voos

geen signaal
en geen sprinkhanen in het veld,
geen salamanders en kikkervisjes in de
sloot achter school en waar is jouw stem gebleven?
waar zijn de meikevers, torren, de vis in de rivier; geen lucht,
geen water, geen groen gras; roestvlokken zweven dor
en droog en de longen schrijnen, het haar valt uit en
de buurman knabbelt aan de tenen van zijn vrouw,
niet uit liefde, uit haar buik groeit robertskruid en kalveren aborteren
zichzelf en in de nageboorte geen zuurstofrijk bloed en alles
verkruimelt en ik toets het nummer nog eens in en die
stilte, verpletterende stilte in de hoorn het ruisen van
aanrollende golven overspoelen staketsel en traliewerk
en beelden drijven het strand op en het kind pulkt de
laatste alikruik uit zijn schulp en steekt die; het potje is
leeg op wat troebel drab na, je dacht dat alles zeker was
en tussen je tenen zand en daar verderop nog twee meeuwen
weggewaaid, dood als oncontroleerbare vliegers met in de
ooghoek van het geschilderde gezicht een traan,
maar ik kan het niet goed zien
en ik draai me om,
voor altijd

york – gritter

Bruisend druk de wandelgang
van de sporen naar het hart
mijn moeder was nog onder ons
de oudste kon net lopen

Een mooie ochtend in de zomer
Geen wolk of veeg te zien
Samen zoeken naar de kerk
achter stadse bouw verscholen

Om de hoek het minsterplein
waaraan de kathedraal
Groots gelegen, hoog de mond
Geschilderd alle ogen

Tezaam betraden wij de tong
met keien als papillen
Plots vervloog de stadse ruis
als een opgeschrikte spreeuwenzwerm

Stil gemaand en ademloos
geen geluid meer in de oren
bogen wij devoot het hoofd
voor gotiek die tot de hemel reikt

ruis – richard kamsteeg

Mijn dierbare vriendin A
leest mijn gedichten vaak
al tijdens het ontstaan.

Wat hierbij opvalt is
dat zij zeer zorgvuldig leest
maar vooral
graag witregels toevoegt.

Deze voorkeur gaat zo ver
dat ik haar er van verdenk
de tekst van het gedicht
als een vorm van ruis te zien.