Resultaten voor het trefwoord requiem

ein deutsches requiem in het concertgebouw – manja croiset

in de pauze van het concert
slenter ik door het gangpad
een stem achter mij mag ik even passeren
met een “pardon” doe ik een stap opzij
de niet onaantrekkelijke man (leeftijdgenoot
of een fractie ouder) zegt
u liep zo charmant midden op de rode loper
eerder schreef ik iets dergelijks
maar dan als fictie nu waar gebeurd
maar déze korte “ontmoeting” heeft geen vervolg

requiem voor een vogel – b. vogels

vandaag heb ik een vogel gezien
met opgeheven kop
de tegenwind stond schrap

ik heb mensen getrotseerd
op de dansvloer van de storm
ben ik blijven buigen

op een dag zuig ik
stenen uit hun geraas
blaas de deur uit van gebral

en ga slapen met de élégance
van een zwarte vogel in het licht

requiem – tijl nuyts

Pianomuziek walmt de kamer binnen
waar dames met lange sigaretten in zetels
van rood ribfluweel om haar sterfbed zitten.

“Ze ziet wat bleekjes.”
“Ja.”

Zij is piepjong en stervende
wanneer de sluimer met witte handschoenen
komt aandraven en zoetjes om haar ogen
zwemt om ze te sluiten.

“Ik vond haar altijd al een lelijk kind.”
“Ik ook. En veel te happig op mannentongen.”

Haar verloofde laat het zich niet aan
het hart komen
en doet zich in de keuken tegoed
aan zijn pangasiusfilet.
Hap na hap, tinkelen van bestek en
het kan hem godverdomme
geen donder schelen dat die beestjes
gekweekt worden in riolen in het oosten.

memento mori – hanny van alphen

opeens begon het te dagen
vreemd, dat ik het licht niet zag
terwijl het toch aanwezig was

onder handbereik lag het daar
-ik kon het niet geloven-
dat briefje op het dressoir

geen reden die je achterliet
geen kleine woorden, geen liefste
zelfs een aanhef had het niet

wit licht bespeelde ’t papier
en toonde tussen zwarte lijnen
een requiem voor het klavier

requiem van een kaartenhuis – rob de vos

In de verstomde holte van een traan
bouw ik onachtzaam een kaartenhuis,
omgeven nog door mijmeringen
over het vorige dat zo plots viel.
Want zo ik nu weet
kan men niets dan treurnis bouwen,
op de fundering van een meermaals gebroken ziel.

Toch waag ik mij eraan.
Uiterlijk vertoon van bravoure, zelfs ietwat frivool,
maar de donkere nachten snijden de wonden
en in het requiem van ’t kaartenhuis
klinken de rouwende noten
waartussen ik thans opnieuw dwaas dool.