Resultaten voor het trefwoord ploos

de valse dood aan de deur – ploos

die vrouw vond
tot slot van god en los van man en muis – geen flauw idee
dat haar huis haar huis allang niet meer
is het gek dat ze het niet herkent
en jou

je geur is raar geworden
want dat kan
je kan iets zijn dat haar ternauwernood gewend doorkruist
de plotselinge nieuwe tijd

haar aarde ligt gekanteld – zo komt het dat ze roept om polen
donder maar op
met je gelul en je karpatenkop
zegt ze tegen de krantenjongen

een zorgverstrekker vangt haar bang
en tegendraadse spijt
tekent zijn minuut en luistert
nauwelijks naar hart en longen

memo – ploos

memootjes
zakelijk
pragmatisch kris en kras de kattebellen
notities
overal op koelkast en op vriezer
op deuren tassen ramen spiegels
op armen benen billen
wat je wil houden
kan op het lijf geschreven

wat moet ik doen wat moet ik blijven weten hoe
waar haalt de tijd
de tijd vandaan en
mij niet in
hier word ik moe
verliezer

memorandum
zo rustiger dat woord
wat geweten
dan gedaan moet worden
als het ware teder
tijdgenegeerd
vaart minderen
wit in regels
geschreven met een vogelveder

vulpennen drogen vergeten
uit

fumé – ploos

ik zet een bierglas over je heen en
schuif een foto van mijn moeder
altijd voorhanden
onder je kont

je vader woonde hier binnen
je moeder was ’t liefste in de tuin
en andersom
het hadden kruisspinnen kunnen zijn

maar jij bent er
nast schuim en elzas
vanaf de wand
nog even en je eet de suiker
net niet
uit mijn mond

ik weet niet waarom – ploos

hommage aan Iris Murdoch

ik zou niet weten waarom ik schrijven zou
heb ik
John, heb ik niet ooit geschreven, vraag ik hem, ik weet hem soms nog mijn man,
als hij me kan vinden en ik mezelf en mijn bril

mijn hele ik en dan de rest ervan kijkt naar hem op en vraagt even of ik het ware
heb ik echt geschreven lieve John?
ik hoor zijn antwoord zittend in het zand dat alleen mijn hand zich nog herinnert, waarheen hij me meegenomen heeft
maar ik weet niet waarom
het zand was vroeger los en niet zo solide als toen de klok plotseling
wil ik mijn platenboek
dus gaan we nu naar huis John, want de rommel weet ik daar en alles nog
en jij zet thee heet het platenboek?

thuis weet ik niet waarom mijn chaos niet vertrouwd, ineens onvast geworden is en dan vouw ik me
wring me eruit ik ga op zoek naar vroegere oevers zonder netten
zijn ze niet meer van de zee
ik roep de hond: Apollo
Bacchus hier!
kijk, de man heeft me gevonden en zet thee
de graaf! ik weet hem

de hemel, lieve John, ik weet je weer, is een diep kasteel op zand gebouwd
soms weet ik Hartley oude vrouw en de meedogenloosheid van tijden
noch het onvermijdelijke alsmaar weer en overkomelijk verdriet
de wanen die monsters oproepen en andersom
en wat er tussen Socrates en Sartre was
ik kan er niets meer mee

het is negen uur en het ronde hoekt, breng me naar bed John
en blijf bij me of ik ga en als ik ga
zoek me dan maar niet
laat me mijn eervolle aftocht

drapeer de zee, drapeer de zee
die van vanochtend maar om mijn lijf dat pijn doet –ja zo– ik dank je
zeg je beleefd goedenacht
ik ga van Bruno dromen

man isst – ploos

vlees dat zich zo verzoveelvoudigd heeft
gedoemd tot geen beweging meer
dan doodgaan
is

bed dat volstroomt met obees die zich
voor wat nooit zijn laatste maal is legt
een mens die uit zijn huis gehakt moet worden
is

spektakel op tv
we voelen oh wat voelen we
maar net niet vol genoeg ontzettend met hem mee
of haar

als er geen zwaartekracht bestond op aarde
stegen zij vermoedelijk tot hoogste hoogten
passeerden zij gemakkelijk de volle maan

uit de overvolle hokkenwagens
steken dierendelen
krulstaarten en bleke oren — kale kippenhalzen
elkaar tot bloedens toe naar onze kroon

ironisch is het woord allang niet meer
het is het mededingen
waarin de hoon zich zegt
de dithyrambe ongehoord is en vergaan

plooibare zesde naamval – ploos

plooibare zesde naamval
niet meer zo maar
van je zelf mooi en vrouw

onbevangen vooroverbuigen
praten met armen
en benen ook
rimpelloos
alles prima voor elkaar
en over

daar komt
gekruist de ledematen
de ablativus absolutus
eerste vreemde rouw
om de ontrouwe syntaxis van lijf en leden

bij toeval zie je in oneigen ogen terug
de rimpeling
zeg maar gerust
royaal meanderend het craquelé

tussen wat je zelf nog altijd glad denkt
is het voor ieder ander zichtbaar
zo zien ze je
jij ziet alleen je eigen jongere verleden

 


Toelichting: herplaatst op DichtTalent november 2009. Voor Marjolijn Februari

uren op etages – ploos

de droogte sluipt terwijl ze slaapt haar huid in
en haar lijf uit als ze opstaat
laat haar vel vroeger verder los
van haar gebeente – wee denkt ze even vluchtig als ze is

want de lampetkannen de kommen
erom vertonen barstennet
onder het glazuur
jezus marante zucht ze
de schappen denkt ze
vol weckflessen in het keldergeschot
en de appelen alvast op zolder
ze ziet me in haar vaart

te laat – ik neig in vaag gebaar
naar eigen wang
tot ander kroost bij mij komt hangen
in de zolderringen

die mutter schikt de schaars en wit geworden haren met
een etensvork bol in ’t rond en plet
de boel dan onder voilages
er was voor haar geen enkel vurig uur van troost denk ik

de spiegels in haar kamers
die zich verdringen om alle hoeken elk uur te laten zien
wij houden haar niet binnen – ze gaat uit
om de rug te keren en het weer in het behang

 


Toelichting: “Het volkomene”, Herman Pieter de Boer, zijn vertaling van “Zügenglöcklein”, Schubert

indië – ploos

voor oom Theo, oom Henk en oom Michiel

waar heeft Oranje koningsgezindere kinderen
gevonden dan in de Oost?
Nederlands-Indië, wat mooi als woord, als naam
ademt het kolonie, tropen, zon

kordaat gingen daarheen
onze jongens
nog nauwelijks bekomen
te vroeg gelauwerden
de tweedewereldoorlogsoldaten

wat heeft Den Haag zich volgevreten met het
verrukkelijkste eten
dagin sapi moeda en peteh tjina
piendang
seroendeng
en boemboe bali-kip
senang van sambal goreng telor
en van rendang

ze werden allengs gekker

indolentie, daarover hoorde
je ze badinerend, nee – berustend praten
dat woord verbond je
met tropenjaren
kolder zelfs
van krijgers en hun wonden
van verzwegen koorts
en niet gelezen niet heruitgevonden
Multatuli’s woorden

ze praatten, nee – ze pochten niet zo veel
Indië-gangers
ze waren allang gekker

van baboes verre verborgen schrale troost
die waren er niet alleen voor kinderen
die deden wat ze vonden
dat hun plicht was
kokosmelk voor de telor en tieten
ze praatten verder niet
en deden als de krijgers
er werd gewoon gevoosd
alles was allang teloorgegaan

beleefd beval ik aan: Bali in Scheveningen
daar vond men zwijgende Javanen
keukenluik blijkt dicht

door ooms
die toen de jonge jongens waren
werden recepten van het verrukkelijkste eten
voor het leven doorgegeven

reste fidèle – ploos

Reste fidèle
Zo heet een restaurant
natuurlijk in de Bleibtreustrasse
in Berlijn
De wijn was goed

In mijn hoofd kletterden de munten
de koperen doodskoppen
die echoën in benauwde gaten en
in de muren en op vloeren
van Libeskinds museum
Daar keek ik urenlang en dagen later nog doorheen
Beloofde die plek plechtig trouw

Wat schoon en rustig
en helder is de stad
Een metropool en niemand loopt een ander in de weg
de mensen lachen naar elkaar en zeggen dag
of liever guten Abend — gut’Nacht
De ‘Alte Jüdin’ loopt nog steeds
en lacht

Het was mijn tante Sara die ik alsmaar zag
en ook mijn moeder trouwens

net als in de film – ploos

zou het, vraag ik me af,
daar in de VS echt zo gaan?
dat zij neuken met de broek nog aan?
en als ze het gedaan hebben dat ze dan
als ze overeind komen
de lakens en de dekens
en als het kon nog de matras plus kussens
alles om zich heen en met zich mee het bed uit trekken?
en dat ze altijd slapen met hun sokken aan?