De tak veert vervaarlijk door maar
Je raakt niet in paniek
Je snavel streng ontspannen
naar voren gericht
De doornen groeien door
beschermen je nest
Een pier siddert tussen de pollen
De tak veert vervaarlijk door maar
Je raakt niet in paniek
Je snavel streng ontspannen
naar voren gericht
De doornen groeien door
beschermen je nest
Een pier siddert tussen de pollen
ooit zal ik stoppen met leven
als een verlamd kevertje zal ik
creperen aan de kant van de
weg als de kassameisje haar
lade dichtslaat zoek ik haar gezicht
af naar sporen van de nacht ervoor zij
met haar blauwe supermarktjasje zegt mij
te pinnen
ze neuriet
met snelle handen pakt ze mijn
bonuskaart voor elke vijfentwintig euro een
kadootje soms grijpt ze veel te veel van
de beestjes uit haar
doos tot haar tijd op is gaat ze
door ik reken mijn groente
af bij haar kassa met het
besef dat er ooit
aan mijn leven een
einde komt
en dat die van haar al
zo dood is als een
pier
Ze zal niet
vergeten hoe het begon
dit hurkend zoeken
in ’t veld vol klavers
een schat vergaard,
het groene klaverkruis
in ’t leergebonden
boek bewaard.
Voor later.
“Zei pappa, of was ’t mamma?”
(‘k was vier en weet ’t zo goed niet meer)
Zeewier zilte pier
dit bleke strand
muziek ruist in schelpen waait
een mateloos ogenblik
de duif in haar vingers fladdert
rust in een blauwe wolk boven zee
’t Woord kleur bekent.
de prachtige machtelozen
staan op de pier
midden in het leven
en zwaaien het uit
het monsterfregat
in de ogen van vader
volgens vriend en vijand
valt het wel mee
maar de oudste gaat
een missie volbrengen
de horizon achterna
een half jaar overzees
moeder en zus
draaien zich om
arm in arm
een illusie armer
men vraagt zich af
waar je blijft
de boodschapper grijnst
vader volgt gedwee
Anton uit Nederland
Spoog in zijn reuzenhand
Sprong op Japan
Als een uitgedaagd dier
Later verwerd hij tot
Allesbekampende
Paljas nu plat
En zo dood als een pier
Recente reacties