Resultaten voor het trefwoord onzichtbare

kussen – rianne oosterom

Heb jij weet van hoeveel kussen
er tussen ons zijn
als jij weg bent
geloof je daar geen snars van

weet je dan niet kleingelovige
dat mijn lippen je overal vergezellen?
als de onzichtbare meisjes die broertje vroeger
doodschoot
ben ik levend naast je
en kus je
een soort apocalyps van eeuwige lips
je komt er nooit meer vanaf

zoveel kussen zijn er tussen ons
en je weet het nog geeneens

diva – hans van willigenburg

vlak naast de mooiste vrouw in het gezelschap
vliegen pelotons aan dromen stuk tegen een onzichtbare glaswand
ze praat niet ongewoon
niet grof
niet gespannen
niet doelgericht
ongewoon is slechts hoe zij jou laat voelen over jezelf
– zeldzaam nietswaardig! –
met je grove fantasie
en je gespannen smeken om haar goedkeuring
als ze wegloopt
kijk je haar stap voor stap welving voor welving na
reeds nostalgisch naar de koorts van een kwartier geleden
voordat ze in je ogen keek
voordat ze in de stijl
van een volleerde baliemedewerker
rustig en in alle ernst
tegen je zei
dat haar fundamentele opdracht in het leven is
meer onderling begrip te kweken tussen mensen bla bla bla

onzichtbare draden – elize augustinus

poppen in de
pop-pen-kast
zijn gekleed in
fleurige kledij
de rode gordijnen
weggeschoven
dansen ze Voor.
het poppenraam
spreken met Hogen.
hoge stemmetjes
hangen aan
onzichtbare draden

peagasus – mattijs deraedt

Dichten is kijken naar het onzichtbare,
zich niet kunnen neerleggen bij het kurk
van deze maatschappij, wereld, Melkweg.
Dichten is stil rebelleren tegen de droogte.

Haha, je mag proberen zoveel je wil,
maar niemand zal Pegasus ooit kortwieken.

Zie hoe zij marcheren, snoeischaar in de hand,
zinnen opdreunend als kleuters met kerst.

uitvaart – jan holtman

nu heeft ze twee auto’s staan
op een nog langere oprijlaan
het hek met haar ogen
al gesloten

het hagelwitte grind
onzichtbare kraaien
in de bomen, een deur
gastvrij op een kier

voor de mannen
die haar dragen

zie ginds puft de dichter – jacques santegu

Jullie kunstpelgrims, rijm op slappe koorden
Borstels in holtes, klaagmuren van kelders volgelopen
Pomp in de mond van zondvloed en duivelsdrab
Articulaties van zeloten afgegleden in ballingschap

Kotsend mandje tegenstromingen trotserend
Alchemisten van ‘s jaars dertiende maand
Mozes die nooit reide naar ons vreemde Westen
Noch daar wereldtalen sprak in vice versa gelanterfanter
Snoeihard zuigend op die onzichtbare tepels of
Hagedissenstaarten gesmoord in wijwatervaten

Treed naar buiten, eieren der vlijtig zuilenvretende spechten
Breek binnen in het doolhof van jullie zelfgestookte bacchanalen,
Adam in Eva met pek en veren overgoten
Stamp je grieven het riet lam, vlecht kilometers in je veters
Zeur niet over blaren, verbeeld duizend muzen i.p.v. zolen

Kras ’t elfde gebod in het chroomzwaard van de maan
Laat je inkt spatten op de sleep van het aftands zomerkleed
Schilder een gebed en dankbetuiging op de zwarte beest
Knutselaars van maagdenvliezen, tovenaars die raadsels naaien
Stalhouders van beeldtaal die geniepig onder schapenwol graaien

Bilocaties van bibliofiele nomenclaturen
Draagvlak van jullie brakke stoelgang, knuppels in het ijle
Zonderling in meer zinnen dan Babylon verzinnen kon
Naweeën in niemandsland, profeteer ‘t anders:
‘Ziehier ons ontheemde mandje, aangespoeld doch gekanteld’