Resultaten voor het trefwoord oksels

36 – maaike klaster

en niet van gisteren

Mijn Winter Clouwn heeft wanten aan,
ook als het niet koud is, de lieve schattebout.

Vandaag zou vandaag niet zijn geweest
als ik mijn oksels niet had geschoren.
Dat was eergisteren, maar dat maakt niet uit.
Soms beweeg ik achteruit.
Zo weet ik nu al wat er gaat komen,
de volgende groef in de plaat.
Hoe het komt dat ik tegelijkertijd
geen benul heb van wat er komen gaat,
blijft mij tot het eind der tijden een raadsel.
Gelukkig houd ik daar wel van, een raadsel
dat ik nooit kan ontrafelen, anders zou ik
er helemaal niets meer aan vinden,
want ik zit al 300 jaar alleen op een bank
en dat was precies de tijd die ik nodig had
om bij te slapen van alle haat en nijd.
Ken je die twee niet? In dat geval is het wellicht
raadzaam om beter in de spiegel te kijken.
De spiegel liegt altijd.

wat als – ton kurstjens

Wat als je opstaat en zachtjes
uit mijn dromen begint te lopen?

Wat als je opeens uit het dakraam
van de buurman naar buiten kijkt?

Wat als ik je tegenkom
en je duikt voorlangs?

of erger nog, je blijft staan
en lacht de lach van een vreemdeling?

Wat als ik koppig onder mijn oksels kruip
en blijf hangen in de tijd?

Wat als ik op een zondag opeens de zomer mis
als een karatetrap in mijn gezicht?

Wat als jij de zomer begroet
met onverklaarbare martini’s in je handen?

Wat als ik heel hard je naam roep
in het donker tegen stille muren?

Wat dan?

het klootjes getij – piet van der laan

zaterdag zuigt als slijk door de straten
uit alle gaten, gehuchten
langs stadjers die trachten te vluchten
gaat het slijk weer op zoek naar de buit

want het slijm van het land
sleurt haar zakken door straten
vandaag. straten door stadjers verlaten
want de stad verkoopt uit

zaterdag slurpt het schuim door de straten
door winkels, langs tjokvolle rekken
met klotsende oksels en schuimende bekken
naar koopjes op zoek

kort coupe soleil uit de trein
al Kletsend op skai leren laarzen
met hun vadsige aarzen
gebloesd uit de broek

shagjes pielende pappa’s staan buiten
verveeld, naast hun koters die boos staan te huilen
terwijl binnen moeder BH’s pleegt te ruilen
want haar hangtieten bleken te klein

voor McDonald’s, bezwangerde sletjes
van vriendjes die nog van niets weten
staan bellend hun burgers te vreten
‘jij kan echt dus de vader wel zijn!’

zaterdag stuwt het slip door de straten
als een roestig klootjes gemaal
bleek, pokdalig gepeupel. Herestraat helemaal
‘nog een keertje dan, voordat ze sluiten.’

het tij wordt gekeerd door de klok van de toren
de vlaggen verdwenen, het slijk is bezonken
in de Griet worden koopjes beklonken
met schurende dijen en krampige kuiten

het Zaterdag slijk sijpelt sloom langs de luiken
en druipt af naar hun holen en gaten
zes uur, de stad wordt verlaten
op stadjutters na

onderhuids – c.p. vincentius

Zij lijden aan de ziekte van de harige zielen
hun baarden, oksels en snorren hangen.
Na scheren, stoppels van epileren groeien
kuiven zij ondertussen borsten en billen;
horen de anonieme beller zwijgen en hijgen.

Bij doodsbedreiging op bewakingsbeelden;
onjuiste diagnose honderden slachtoffers,
hanteert moeder-overste stuur en pedaal
terwijl intercity spoorwegovergang nadert
waarop de touringcar vol van zusters der
eeuwigdurende aanbidding weer weigert te
starten. Alleen aan de horizon komen rails
bijeen. Hier dragen zij goederentrein, die
op volle snelheid dwars door het obstakel
snijdt, gaapt de invasiediepte, aldoende
‘t idee van ’n geloof bij toeval openlegt,

zodra bij onsterfelijke geesten de haren
rijzen /hun lichamen eeuwig zedig bedekt
/vrede vinden in ongeschoren toestand
/ontbinden bevrijd van inkapselen zonder
/hinder innerlijk verder blijven woekeren.