Resultaten voor het trefwoord mos

golfslag – jos van daanen

Hoe hol vormt de klank zich van de muur
naar wie er zijn hoofd hard tegen legt
om stuiterentwille?

Veert lucht? Het opgerolde elastiek
waarin men denkend aan de rots
zachtheidsgetrouw?

Gaat heen. Daalt af. De berg
verloochent het mos. Oprecht
maar eerlijkheidshalve.

bos – b. vogels

klankjes rollen
van een tak
bellen bengelen
aan twijgen

in het dak
zitten gaten
waarlangs regen
bogen sijpelt

elfen spijbelen
op bankjes
zwammen inspecteren
schors
varens morsen
met de sporen

ik geloof mijn oren
er groeit poëzie
onder het mos

de oude vijver (assen) – jan holtman

Langs mos en takken
zakt het pad
waarop zij liepen

tot een oase van rust

twee mannen omringd
door lege flessen
beklonken hier

het daglicht met bier
en de nacht met
jonge jenever.

mos – basje boer

Op een plek
in het land
begroeid met mos
en de lucht erboven strak,

lig ik op mijn rug en
bekijk de wereld,
de bomen, de mensen
van onderaf,

spreid ik mijn armen,
open ik mijn mond,
houdt het geluid
op met bestaan

Ik verzin het land,
Het niets erboven,
het mos geschapen
uit letters alleen

rozen en zweet – c.p. vincentius

Eens roken de rozen mensenwater
en fleurden op in pis en mest.
Mos bedekte al onze rieten daken;
toonden sleet in sterfelijk bestaan.

’s Avonds stond werkkledij stokstijf
bij ‘t voeteneinde van het alkoof.
Elk kwartaal weekte sop het zweet,
verloor ‘t goed vertrouwde stank.

Alleen kop en handen aan de pomp;
de rest aan ‘t einde van de week.
Zo roken wij rozen ’t mensenwater
en fleurden op bij zichtbaar naakt,
dat op de buiken ‘t zout van zweet
in alle liefdesspel bleef proeven.

gebroken ramen – marten visser

Muffe reuk nat cement
vermengd met verkoold hout
flarden vitrages gedrapeerd
als levensloze getuigen

Groen slijmend riekend mos
demt de klagende echo’s
tacet, hier waart een
ongevraagde bezoeker

Schubbige pissebedden feesten
met witte maden
brengen de dode rat met rode
neon ogen tot leven

Stuntelig glijdend door de
vette klei van emoties
schud ik de schurftige heremiet
van mijn belaste ziel

laat hem achter dansend
zuipend badend in zwavel
met Lazarus de rusteloze rat
met de neon ogen

wildgraaf – wout waanders

het bos waar we in renden had hoge takken als daken
en lage takken als muren en de bladeren wapperden maar wat
onze handen glipten over de natte varens
eronder onze voeten en de grond van mos als een vast land

je begint te praten in het zomaar enkel om me niet kwijt te raken
ik ben normaal een deftig persoon en draag hoge hakken
en de piano staat in een soort salonachtig bijgebouw
ik speel er zelden op de huishoudster maakt hem schoon met groene zeep

soms als ik ’s nachts in het diepst van mijn dekens luister
hoor ik slordige dames vunzige liedjes spelen
de toetsen klinken in hun handen als watervallen van modder
het water klettert tegen onze knieën

we zullen erdoorheen moeten waden zeg ik haar
ze let niet op haar voeten die in het slik steken
ze houdt mijn wandelstok vast en de dolk van hout die ik haar sneed
de stroming is sneller dan we dachten ik grijp naar alles wat drijft

mijn slik is water geworden en de zalmen als muren
je huis is een gerechtshof waarvoor wij moeten boeten
als een eenzaam protest hoor ik achter het hoge raam
een dame die zacht begint te praten

zelfs met familie is de natuur slaapverwekkend – olaf van muijden

Een neef knoopt visdraad
aan een wilgentak, vangt
met een vershoudbak voorntjes
en keilt kiezels over
lelies

en de koptelefoon kalmeert…
en de stroming jongleert met een zak…
en de klei grijpt naar de enkels.

Een oom wijst vervolgens op de
schone lucht, hoe dit te zien
aan het mos –

Palmeria Sulcata, Lecanora nog wat

– op de tot hengel omgedoopte
wilgentak.