Resultaten voor het trefwoord metha

zinloos (adieu) – metha

Nog eenmaal kijkt zij achterom
geeft de laatste uren enkele
verschillende klanken die klinken
als een klein restje wijsheid

wanneer seconden bijna vertraagd
naar morgen lopen gooit zij
snel een medeklinker in de kist
waar, om de zin van de allerlaatste zin
te doorgronden, de schop over gaat

een rode roos bloeit
de doornen laat zij achter

ja, – metha

sprak zij zacht
ik ga nu maar
het opvanghuis
wacht

ik laat niets achter
en geef lucht en licht
door aan hen die nog
wachten voor de poort

langzaamaan verdwijnt
mijn naam in de grond
van iemands hart

ik blijf weg
tot de laatste
strofe toegedekt wordt

trek mij nu terug
achter mijn verzen
ooit gedrukt
om lief te hebben

lek geprikt – metha

Het was een dag met een gaatje sprak zij
en prikte een ballon stuk, kijk op het
kaartje staat in alle talen jouw naam

hoe raak is waarheid wanneer het land
van herkomst wordt verwijderd en
nachten dagen in gaan halen
de maan een laatste knipoog
geeft aan de zon, ben ik nu aan zet

of haalt jouw jeugd mij in wanneer
ik probeer de laatste trein te halen
terwijl regen neerdaalt over afscheid
en ik ogen zie, onbedekt, maar toch gezien

isole – metha

Langzaam schuift ze
de gordijnen dicht
haalt eenzaamheid
zuchtend naar binnen

schikt afwezig hoge stoelen
rondom een houten tafel
waarop haar agenda speelt
met het onbeschrevene en
de schaduw van een pen

in de keuken wacht
haar de senseo met het
schuifje afgestemd
op één kopje

zeven – metha

Vandaag, sprak zij zacht
vandaag, een dag van bloed
aan banden en geweten

een dag van verlaten
om verlost te zijn

juist vandaag
waar kiezels strijden
om de mooiste rimpel

draait zij
zich achteloos om
en gooit nog een steen

verlossen – metha

Ik had de taal in beide handen
sprak niet over bemantelen
en naar vraagtekens werd nooit gezocht

toentertijd hadden jassen geen knopen meer
een touw werd gestrikt en strak getrokken,
ruimte was er in overvloed, daar wel

oude aardappels, vervoerd op gammel ijzer
gaven doffe hongerogen weer heel even
een zachte glans van gevuld zijn

ik wist zoveel meer
maar gaf de zware sleutel
voor die ene deur waar achter
op een smerig kussen haar schoonheid
zelfs de nacht verlichtte, nooit af

die laatste ochtend brak zij
gaf het licht door aan hen
die na haar kwamen
kraste nog een laatste letter
en verdween zonder omkijken

struikelstenen – metha

Haar voeten, allang niet meer geschoend
vereelt door doelloos dwalen
liepen over verlaten wegen
waar boerderijen en bunkers
het vredig landschap braken
en ochtendnevel in stilte huilde om gras

ooit gezaaid voor dikke koeientongen
en grauwe wol op pootjes
werd groen plotseling een dode kleur
maar nergens vervloog méér leven
dan in deze serene stilte

naderbij kwamen doffe klanken
stampende laarzen op eenzelfde ritme
horend bij gezichten, oh zo jong
liepen, soms gedwongen, soms vrijwillig
één, twéé, één, twéé, één, twéé,
op zoek naar hun eigen werkelijkheid

in de berm wachtte zij gelaten
terwijl haar hand de gele bron omsloot
die haar eerder vrijuit liet ademen