Resultaten voor het trefwoord lilian caessens

oorzaak – lilian caessens

hij weet niet dat weten komt hoe je wassen moet
hoe het hem zal belonen. hij ziet de eigen duivels
gelijk aan de nacht. daar laat hij zonnen zakken
wentelt in een wirwar van lakens en tekens

het is hem nog niet duidelijk hoe simpel toch
zijn moeder was hij is te moe haar los te laten
knipt verbeten navelstreng op navelstreng
ziet zichzelf geboren telkens in eenzelfde wieg

hij kantelt het hoofd bij elke knip als wil hij zeggen
hoor mij laat mij mijn weten en wel meteen
ik ben wie ik ben en daar doe jij het maar mee

in troebel vruchtwater weet ik mij gekozen ingeleid
strijk ik mijn ingewanden glad en krom de vingers
het leven is oneerlijk. wen er maar aan.

op kousenvoeten – lilian caessens

Hier in dit huis zijn meubels oud, al lang versleten
het door mijn moeder zó geliefde ebbenhout.
En ook al streel ik zacht en onder voorbehoud
de tafel die ik liefst niet kan maar zal vergeten

niets wil hetzelfde heten. Niet in het opmeten
van één herinnering. Niets in dit nevelwoud
van luchtkastelen, paarden, koning Sanderbout
klinkt als de tijd die op het bot is uitgesleten.

Op kousenvoeten dwaal ik door het leeg vertrek
dat uit zichzelf, mij van zichzelf niet zal vertellen.
Wat wit van wanden valt, het gele bladerdek

het zijn van blauwe ogen enkel snotterbellen.
Ik raak haar aan, na jaren op een moedervlek
geschilderd op een muur als kleine aquarellen.

ijslands meisje – lilian caessens

Als zij door haar IJsland bladert
hoe bijzonder kan een leenland zijn
rust haar oog op bladzij twaalf

geultjes blaast ze in de sneeuw
kleine rimpels, witte vlokken
wolken legt ze naast zich neer

als de bergbeek op haar mooist is
de lucht zich langzaam voegt
naar de buiging van een zomernacht

haalt ze de kleuren uit het licht
en legt ze op haar buik te drogen

mooi man – lilian caessens

wat je zei
van drie turven
het ontbrekende woord

vraag ik me waarom
jij je gedicht uitschreef

terwijl ik
bij de zevende regel

mooi man
en ook nu
bij het zwaaien

wapenrusting van een verloste pelgrim – lilian caessens

Ik vroeg hem: zeg waar is je reis naar toe?
ben je een pelgrim? pionier of pelgrim?
een late pelgrim op de melkweg?

een pelgrim op gevoel in dit huis van hoop
die doorgaans doolt door dode straten?
er is hier zelfs een rue saint jacques.

hij – afgelopen week heeft pelgrim henricus uit drachten
de leefgemeenschap beth tikwah versterkt –
liep naar mij toe en zei: de ziel

gaat te voet mooie witte pelgrim. met kallebas en staf.
om in de grote plas te hengelen op de grote karpers
die het meer bevolken. wie in eigen land wandelt

komt vaak nauwelijks iemand tegen. maar wel hoop ik
spoorzoekers naar het geluk een handje te helpen
door te vertellen hoe de weg een mens slijpt.

voorbij de landerijen, de nevels en het gesticht – lilian caessens

I

ik ben niet méér dan het vergaan
van een halve eeuw aan mens
en wat ben jij mijn liefste

wat ben jij
behalve die vreemde mens
die niet méér is
dan wat witte botten voor het kraaien

een schild
niet meer dan een hollander
op bordpapier

een stem aan gort

II

zo mijn moeder mij baarde
begeerde
hou jij mij vast
voorbij de landerijen de nevel en het gesticht

ik heb je niet meer beloofd
dan je hebt ontvangen

hier in dit huis
heb ik enkels vastgebonden
broze handen gestoken in druipende zijde
ver van de stad
waarin ik een bakfiets en wat kranten had

ik verzorgde bloemen
alsof zij moesten herstellen van een zomergriep

III

wat we eerst zagen of roken
verdraagt ons niet meer

de dingen legen, álle dingen
zij vervuilen niets, versmaden niets

zij vervelen zichzelf

zo sterven wij
een eigen omstandigheid

waterdier – lilian caessens

Ik slik de klei en zeef het water
zwem vlinderslagen in de oceaan
en tel de meeuwen tot de dageraad

als ik later groot ben
stroop mijn huid dan van me af
meet me schubben, vinnen aan

tenslotte ben ik een waterdier
lig in gras, omhels de bomen,
maar zwem, zoals gezegd
de nachten door en tel in dromen

-naast de meeuwen soms ook mussen-

als ik later dood zal zijn
met schubben, vinnen, meeuwen, mussen
stampvoet de klei dan uit mijn ogen
en struin voor mij het water af

het mag geen naam hebben – lilian caessens

Zij was het meisje van de Seringenlaan
de Seringenlaan van de Lindenheuvel
de Lindenheuvel aan de Bruinkool
de Bruinkool aan de Bergerweg

zij was het meisje van de Bloemenmarkt
van bidden in de Onze Lieve Vrouwekerk
van altijd durende bijstand
aan de Eikenlaan en de Kastanjelaan

zij was het meisje van de Egelantier
van de Elsenburg en de Resedastraat
de Portonnekuil en de Lindenlaan
van drie weesgegroetjes en het lof

zij was het meisje van de Valderenstraat
de Bosweg en de Hyacinthenlaan
van grasduinen en de Rozenlaan
en het kruis zonder naam aan het end

waarom – lilian caessens

Elke dag dat ik verder van huis
naar de dingen keek, verder week
van water en zand, waarin ik schelpen
had gezocht en gevonden, ook al zeiden zij
mij zo veel niet meer en ging ik
op vreemde benen door een stad
steeds heb ik het gevoel gehad
dat de zee in mijn kielzog meende
dat ik op vissen liep. Daarom.

het zal wel winderig zijn boven amsterdam – lilian caessens

vroeger hebben mijn ouders tien jaar hier gewoond
toen werd hun huis verkocht en ging ik in het hoekje zitten

ik droeg het opgeheven hoofd nog lang
verloor ogen in mijn biotoop

vader lag die dag in Californië
met een vis in zijn buik

het was winderig boven Amsterdam


Eerder gepubliceerd in Krakatau 46