Resultaten voor het trefwoord lijf

beperkt – yvette rombouts

In haar ogen zie ik een klein meisje onbegrepen.
Met haar lange onhandige lijf laat ze je anders geloven.
Om haar heen is er snelheid, snelheid zonder controle.
Als een vooruit gespoelde film.

Daar zijn ze weer, de niet beperkten, duwend, trekkend, bevelend.
Altijd trek ze aan het kortste eind, maar tot die tijd is het verzet van haar.

Zeven uur of half negen naar bed, wie bepaalt hoe moe ze is?
Duwend, trekkend en bevelend.
Sloeg zij of sloeg hij? Maar de klap was er.
Weer terug op haar plek gezet.

Langzaam sijpelt het naar beneden, komt het binnen.
Koppelt wat ze ziet, aan dat wat ze herkent.
Toch is het altijd weer anders, altijd verwarrend.

Buiten haar om, gaat alles zonder pauze door.

koffie – pj sas

net wakker zijn is wonderlijk
alsof je nog aan de rand staat
van een gapend ravijn en het leven
pompt door je lijf met een ongekende helderheid
die de wereld in vuur en vlam zet
maar dat alles
kan ook de koffie zijn, zwart
als de nacht

fade-out – sabine kars

aan de schemerende gracht
hapert een man
gewikkeld in vroeger

en niemand streelt hem door zijn haren

hij wiegt
zijn verliezende lijf
op de maat van passanten – breekt

de laatste dagen van dit zo besloten feest
waarop iedereen te vroeg ging slapen

en sinds de kruisen binnenstromen
verkruimelt hij – de laatste bomen

barst
nooit meer
in bloemen uit

* – maaike klaster

Koning Kanker de schuld geven
van het feit dat je geboren bent.
Alsof je niet ooit vanzelf sterft.
Daar heb je geen kanker voor nodig.

Iemand heeft mij een diagnose gegeven,
een doodsvonnis voor een meisje van zeven.
Daar legde ik mij schreeuwend bij neer,
maar ik had natuurlijk moeten blijven leven,

deze kans lachend aan moeten pakken
om de longen uit mijn lijf te geeuwen:
Steek die zogenaamde ziekte in je hol
en stort je in je eigen graf!

memo – ploos

memootjes
zakelijk
pragmatisch kris en kras de kattebellen
notities
overal op koelkast en op vriezer
op deuren tassen ramen spiegels
op armen benen billen
wat je wil houden
kan op het lijf geschreven

wat moet ik doen wat moet ik blijven weten hoe
waar haalt de tijd
de tijd vandaan en
mij niet in
hier word ik moe
verliezer

memorandum
zo rustiger dat woord
wat geweten
dan gedaan moet worden
als het ware teder
tijdgenegeerd
vaart minderen
wit in regels
geschreven met een vogelveder

vulpennen drogen vergeten
uit

compositie in zwart – jos van daanen

Als de dood ontwaakt
heeft ze niet geslapen,
ze heeft niet in haar bed
gelegen, niet op haar zij
gedraaid, ons niet,
voor wie dat weten wil,
betrokken bij haar dromen.

Als de dood is opgestaan
zijn haar lakens onbeslapen
en is haar bed aan een kant
leeg en inderhaast verlaten
door wie niet slapen kon
bij de gedachte dat haar lijf
tot leven komen kon.

Maar de dood zucht niet,
krijgt om die gedachte
geen plekje kippenvel,
ze neemt haar plaats in
voor haar kapspiegel en
brengt rouge aan
op haar bleke jukbeenderen.

Ze glimlacht ongenaakbaar
als ze de schaduwzijde
van haar verlangens
om haar ogen wrijft en
de pluisjes van haar mantel
en haar zwarte laarzen
borstelt.

Pas als de dood tevreden is,
knipt zij haar nachtlamp uit
om zich kalm en statig
als een vrouw van de wereld
onder de mensen
te begeven.

je moet wel goed uitkijken – piet van der laan

mijn hoofd leidt mijn lijf
naar waar het blijkbaar moet zijn
en houdt het net haaks op de straat

mijn lijf daarentegen
wil amper bewegen
maar mijn hoofd zegt ‘Straks kom je te laat!’

een dreigend dilemma
door gierende remmen
aan gort gerost in volle vaart

mijn lichaam zijn zin
en dus blijft hij er in
terwijl mijn hoofd mijn lichaam verlaat

carnaval – b. vogels

het volk weet met zijn lijf geen blijf

billen puilen uit
borsten barsten los
het bier viert hoogtij
de straten klotsen
de narren kotsen
de stoet steekt de draak
met alle narigheid

een prins gaat met de pluimen lopen

een nieuwe ochtend – mark opfer

Wakker worden
met brosse zeesponsbenen
en je zorgen maken
en dan verbaast zijn
wanneer je ineens weer naast je bedje staat

honger hebben
en dat negeren
en alleen maar koffie zetten
terwijl je ogen branden
en je bloedhondwangen
alles naar beneden trekken

Er ligt een melkwitte gloed over de wereld
een zilveren reflectie
die de lijnen vervaagt
en alles kilo’s zwaarder maakt

ik voel me kwetsbaar
mijn arme overrijpe zonnebloemen
nutteloos aan mijn lijf

ik ben geen machine
ik ben niet gemaakt als machine
ik ben een zeemeeuw die op de wind wil drijven
en lustig naar de vrouwtjes krijst

versnapering – anouk smies

Bij zonsopkomst klom ik
uit klossen garen
en je slapende lach

Ik moest je niet verschuiven
terwijl ik aan de herten in mijn jeugdjaren dacht

Die stonden koud en verstrooid
op een sokkel
als je lijf
in het licht gekwakt

Hoe ik je minutenlang
voor de eerste keer zag